Machtsvertoon en minachting  als reactie op het sociaal protest

Open brief Florence Lepoivre en Jean-François Tamellini

Op 4 juni sloten velen onder ons zich aan bij de duizenden mensen die protesteerden aan het Parlement van de Federatie Wallonië-Brussel, tegen het besparingsbeleid dat het onderwijs, de cultuur, de kinderopvang, het onderzoek en de openbare media keihard treft.

We kwamen er leerkrachten, universiteitsdocenten, schoolpersoneel, opvoeders, cultuurwerkers en ouders tegen. Maar vooral heel veel jongeren.

Jongeren die hun toekomst kwamen verdedigen.

Jongeren die heel goed weten dat de bewering van de federale regering en van de Federatie Wallonië-Brussel dat de maatregelen in hun belang zijn “om de volgende generaties te behoeden” een leugen is.

Deze betoging was vreedzaam. Het geweld dat in de marge van de betoging plaatsvond, is onaanvaardbaar en moet ondubbelzinnig worden veroordeeld.

Maar het geweld mag niet doen vergeten wat echt telt: wat we die dag zagen, was de bezorgdheid van een generatie over de geleidelijke uitholling van de openbare diensten en van de middelen die hun volwassenwording ondersteunen.

Wat ons op 4 juni het meest is bijgebleven, is niet het geweld van enkele individuen die een vreedzame demonstratie kwamen verstoren.

Het is het schrijnende contrast tussen de eisen van duizenden jongeren en het onthaal dat hen te beurt viel.

We hebben waterkanonnen gezien. Politieagenten in oproeruitrusting.

We zijn getuige geweest van de politie die chargeert, met hun wapenstokken slaat, traangas spuit.

Interventies waarvan velen zich terecht afvragen of ze wel proportioneel waren.

Want daar gaat het inderdaad om.

Hoe zit het met de proportionaliteit wanneer leerkrachten, scholieren en hun ouders verstrikt geraken in zulke gewelddadige interventies?

We zagen ook militairen voor het station van Brussel-Centraal, gewapend met aanvalswapens, die naast de politie stonden, tegenover de jongeren, alsof er een opstand of een burgeroorlog gaande was.

In een rechtsstaat is het leger niet bedoeld om de openbare orde te handhaven, op enkele uitzonderingen na, zoals terroristische dreigingen of andere ernstige bedreigingen voor het voortbestaan van de staat.

Militairen zijn noch opgeleid, noch uitgerust om betogingen in goede banen te leiden. Enkel in autoritaire landen, waar de rechtsstaat niet meer bestaat, wordt het leger ingezet voor dergelijke taken.

Welke boodschap geven we mee aan jongeren die zich zorgen maken over hun toekomst, wanneer ze getuige zijn van dergelijke machtsvertoon, terwijl ze alleen maar willen gehoord worden?

Welke boodschap geven we aan hen die opkomen voor hun school, hun universiteit, hun toegang tot cultuur of onderzoek, wanneer ze het gevoel hebben dat ze in de eerste plaats worden gezien als een bedreiging voor de openbare orde?

En welke boodschap geven we als sommige politici al die jongeren die zich inzetten voor hun toekomst en voor de kwaliteit van het onderwijs dat ze krijgen, blijkbaar wegzetten als potentiële delinquenten die moeten worden heropgevoed en op bootcamp gestuurd?

Achter de gebeurtenissen van 4 juni tekent zich een zorgwekkende trend af: die van de macht die steeds minder gehoor geeft aan de signalen vanuit de samenleving.

Al maandenlang volgen de protestacties elkaar op.

In het hele land komen werknemers, jongeren, gepensioneerden, verenigingen en burgers de straat op voor hun pensioenen, hun koopkracht, de openbare diensten en de sociale zekerheid.

En om de rechtsstaat te verdedigen.

Maar meer nog dan de betogingen, roept het gebrek aan aandacht voor de signalen die van alle kanten komen dringende vragen op.

Organisaties op het terrein luiden de alarmklok. Hele sectoren komen in actie. De Raad van State, het Rekenhof en officiële adviesorganen brengen vaak uiterst kritische adviezen uit.

Desondanks wordt de dwingelandij almaar opgevoerd.

Alsof het sociaal overleg, de expertise en de signalen van het terrein van geen tel zijn tegenover de vastberadenheid om een blind besparingsprogramma tot elke prijs op te leggen.

Tegelijkertijd worden vakbonden, ziekenfondsen en openbare media in diskrediet gebracht en aangevallen. Het maatschappelijk middenveld wordt simpelweg genegeerd.

Kortom, de tegenmachten worden niet langer als gesprekspartners gezien, maar als obstakels in de stroomversnelling richting bezuinigingen en afbraak van rechten.

Als 5.000, 10.000, 100.000 of 150.000 mensen betogen zonder gehoord te worden, als de adviezen van de actoren op het terrein en de officiële instanties in de wind worden geslagen en overlegkanalen worden omzeild, wat blijft er dan nog over van de democratische dialoog?

Op 4 juni vroegen de aanwezige jongeren niet om privileges.

Ze vroegen om investeringen in hun toekomst, in plaats van bezuinigingen.

Ze vroegen om middelen om te leren, zich te ontwikkelen en aan hun toekomst te bouwen.

Maar eigenlijk was hun eis dezelfde als die duizenden werknemers, burgers, verenigingen en actoren van het terrein al maandenlang formuleren: gehoord worden.

Gehoord worden voordat er beslissingen worden genomen.

Gehoord worden voordat hervormingen worden opgelegd.

Als de reactie van de politiek enkel bestaat uit minachting, machtsvertoon en karikaturale reacties… dan kun je je terecht afvragen of sommige beleidsverantwoordelijken de boodschap willen begrijpen.

Regeren betekent niet bezorgdheid negeren of onderdrukken.

Het betekent dat je ernaar luistert. En ze beantwoordt.

Florence Lepoivre                                                                Jean François Tamellini

Algemeen Secretaris ABVV Brussel                               Algemeen Secretaris ABVV Wallonië

Bootcamps voor jongeren. Wanneer voor politici?

Een opinistruk van Bert Engelaar, ABVV-Voorzitter 

Er waren donderdag vernielingen in Brussel. Bushokjes sneuvelden. Projectielen vlogen door de lucht. Hulpdiensten werden belaagd. Natuurlijk moet dat benoemd worden. Natuurlijk moet daartegen opgetreden worden.

Niemand, geen enkele vakbond, leerkracht of ouder verdedigt geweld of vernieling. Het is onaanvaardbaar.

Wat vooral bleef hangen, waren de grote woorden van verschillende politici. “Crapuul.” “Bootcamps.” “Opvoeding.” “Manieren leren.”

Kunnen we ook even kijken naar wat deze jongeren al maanden duidelijk proberen te maken? Hun toekomst wordt duurder gemaakt, hun inschrijvingsgeld stijgt tot boven de duizend euro. Hun scholen kreunen onder personeelstekorten, hun lessen vallen uit, hun leerkrachten moeten meer werken voor hetzelfde loon.

Hun toekomst wordt stilaan een factuur.

Toch ging het amper nog over die inhoud.

Het debat werd opnieuw herleid tot orde, discipline en straf. Elke sociale woede wordt vandaag meteen behandeld als een veiligheidsprobleem. Elke vorm van protest lijkt verdacht zodra jongeren hun stem verheffen.

Bootcamps dus. Interessant woord. Wie bepaalt eigenlijk wie daarnaartoe moet? Geldt dat alleen voor jongeren die stenen gooien? Of ook voor politici die hele groepen mensen wegzetten met woorden die vooral olie op het vuur gooien?

Bestaan er ook bootcamps voor publieke vernedering? Voor politieke hysterie?

Daar wringt het. Een samenleving die permanent spreekt over “orde herstellen”, “hard optreden”, “respect afdwingen” en “streng zijn”, raakt langzaam verslaafd aan spierballentaal. Elke nuance verdwijnt. Elke context verdwijnt. Elke sociale oorzaak verdwijnt.

Plots lijken vijftienjarigen de grote vijand van deze samenleving. Kinderen dus. Kinderen die volgens sommigen te weinig respect hebben voor gezag. Kinderen die al jaren horen dat hun toekomst goedkoper moet worden bestuurd. Kinderen die zagen hoe hun onderwijs werd uitgehold, terwijl ze te horen krijgen dat ze vooral dankbaar moeten blijven.

Wat we donderdag zagen, was trouwens méér dan vernielingen alleen. We zagen ook beelden van jongeren die weinig of niets verkeerd deden, van jongeren die vooral kwaad waren, omdat niemand nog lijkt te luisteren. Van jongeren die panikeerden onder waterkanonnen en traangas.

De grootste cynici proberen ondertussen leerkrachten verantwoordelijk te maken voor de woede van hun leerlingen. Leerkrachten zouden jongeren “opruien”.

Mensen die elke dag proberen kinderen kansen te geven, worden plots weggezet als onruststokers, omdat ze weigeren zwijgend toe te kijken hoe hun beroep wordt afgebroken.

Misschien nog het meest hallucinante van alles. Jongeren die op straat komen voor hun toekomst worden gereduceerd tot “crapuul”. Sociale woede wordt behandeld als iets dat discipline kan genezen.

Nogmaals: niemand mag geweld en vernieling goedpraten. Maar kunnen politici die vooral stoer proberen te klinken, zich ook afvragen waarom zo veel jongeren zo kwaad zijn geworden? Misschien omdat ze voelen wat velen al langer voelen.

Deze regeringen besparen op alles wat mensen vooruithelpt. Onderwijs. Zorg. Openbaar vervoer. Sociale bescherming. Alles moet goedkoper. Alles moet efficiënter. Alles moet harder.

Tot ook jongeren beginnen te begrijpen dat men hun toekomst aan het afbreken is, terwijl ze les krijgen over normen en waarden.

Gedeeltelijke indexsprong: de Arizona-regering organiseert een levenslang verlies aan koopkracht

De Arizona-regering heeft opnieuw een rode lijn overschreden door een gedeeltelijke indexsprong goed te keuren, ondanks het unanieme verzet van de vakbonden, de sociale partners en tal van experts. Deze beslissing vormt een rechtstreekse aanval op de koopkracht van werknemers en uitkeringsgerechtigden en ondermijnt een van de pijlers van ons sociaal model: de automatische indexering van lonen en sociale uitkeringen.

Concreet zal het door de regering ingevoerde systeem de indexering plafonneren vanaf een bruto maandloon van 4.000 euro. In tegenstelling tot wat sommigen proberen te doen geloven, gaat het hier niet om een kleine groep hoge inkomens. Dit bedrag komt overeen met het mediaanloon in België. Voor deeltijdse werknemers wordt deze grens zelfs veel sneller bereikt.

De gevolgen zullen zwaar en langdurig zijn. In tegenstelling tot een eenmalig verlies zal deze indexsprong gedurende de hele loopbaan doorwerken. Elke toekomstige indexering zal worden berekend op een verlaagde basis. Het resultaat: duizenden euro’s aan verloren inkomen over de jaren heen. Iemand die vandaag 4.500 euro bruto verdient en nog veertig jaar moet werken, kan in totaal meer dan 17.000 euro verliezen.

Er bestond een alternatief

Wat deze beslissing nog onbegrijpelijker maakt, is dat er wel degelijk een geloofwaardig en evenwichtig alternatief bestond.

Vakbonden en werkgeversorganisaties waren tot een akkoord gekomen over een hervorming van de manier waarop energieprijzen in de index worden opgenomen. Deze oplossing zou de werkelijke uitgaven van gezinnen beter weerspiegelen en tegelijk de koopkracht van werknemers beschermen.

De gezondheidsindex bepaalt ook de indexering van de lonen in de openbare sector en van de sociale uitkeringen. Dit alternatief zou tegen 2030 zelfs licht voordeliger zijn. In zijn voorstel vroeg de Groep van Tien de regering dan ook om de gedeeltelijke indexsprong voor ambtenaren en sociale uitkeringsgerechtigden te schrappen. Het akkoord tussen de sociale partners biedt immers een antwoord op de indexering in de privésector, maar het is aan de regering om deze logica uit te breiden naar alle betrokken inkomens, zodat een gelijkwaardige bescherming van de koopkracht wordt gegarandeerd.

Volgens de ramingen van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven zou dit alternatief de overheidsfinanciën zelfs meer hebben opgebracht dankzij bijkomende fiscale inkomsten en sociale bijdragen. Met andere woorden: het was mogelijk om de koopkracht te beschermen én tegelijk de inkomsten van de overheid te verhogen.

Toch heeft de regering ervoor gekozen dit alternatief naast zich neer te leggen.

Een aanval op het sociaal overleg

Naast de economische impact getuigt deze maatregel ook van een ongeziene minachting voor het sociaal overleg.

De indexering van lonen is niet wettelijk vastgelegd, maar vloeit voort uit collectieve arbeidsovereenkomsten die tussen de sociale partners worden onderhandeld. Door rechtstreeks in te grijpen in de indexeringsmechanismen mengt de regering zich in de collectieve onderhandelingen en ondergraaft zij de autonomie ervan.

Deze beslissing zal sectoren en ondernemingen verplichten hun loonbarema’s opnieuw te onderhandelen, wat leidt tot een periode van onzekerheid en complexiteit waarvan werknemers de gevolgen zullen dragen.

Belangrijke juridische vragen

Het ABVV onderzoekt momenteel mogelijke juridische stappen.

Tal van vragen blijven onbeantwoord. Waarom werd de grens op 4.000 euro vastgelegd? Waarom worden deeltijdse werknemers sneller getroffen? Wat zullen de gevolgen zijn voor anciënniteitsgebonden loonbarema’s? Hoe kan worden verantwoord dat twee werknemers binnen dezelfde onderneming verschillend worden behandeld op het vlak van indexering?

Ook moet zorgvuldig worden onderzocht of deze maatregel verenigbaar is met de vrijheid van collectief onderhandelen, die onder meer wordt gewaarborgd door het Europees Sociaal Handvest en de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO).

Opnieuw betalen werknemers de rekening

Opnieuw laat de Arizona-regering werknemers opdraaien voor haar politieke keuzes.

Terwijl er een rechtvaardiger, efficiënter en budgettair gunstiger alternatief bestond, heeft zij ervoor gekozen de koopkracht van honderdduizenden werknemers aan te vallen.

Voor ABVV-Brussel is deze beslissing een ernstige sociale, economische en democratische vergissing. Wij zullen ons blijven mobiliseren om de automatische indexering, de lonen en de koopkracht van iedereen te verdedigen.

Wilt u weten hoeveel deze indexsprong u kan kosten? Ontdek de rekentool die het ABVV ter beschikking stelt.

Werkloosheid is geen ‘Win For Life’, maar is elke dag strijden om je waardigheid te behouden.

Een opiniestuk van Florence Lepoivre, Algemeen secretaris ABVV-Brussel

Vanmorgen stond ik aan van onze werkloosheidsdiensten om onze leden te ontmoeten. En opnieuw besefte ik hoezeer de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd, dé maatregel van de regering-De Wever, een brute, onrechtvaardige, ongelijke, asociale en gewoon ondraaglijke hervorming is.

Een hervorming die veel Brusselaars in een hachelijke situatie stort.

Een hervorming die de federale sociale zekerheid ontmantelt.

Een hervorming die de solidariteit ondermijnt die we sinds het einde van de 19e eeuw voor alle werknemers hebben opgebouwd, dankzij een felle strijd.

Vanmorgen kwam ik tientallen werkzoekenden tegen.

Iedereen maakt zich zorgen. Velen weten niet meer waar ze terecht kunnen.

Sommigen zijn boos. De meesten zijn verbijsterd, begrijpen het niet en praten met tranen in hun ogen over hun situatie.

Ik ontmoette een vader van drie kinderen die vecht om een baan te vinden, maar daar niet in slaagt. Of in ieder geval geen baan die stabiel genoeg is om zijn gezin een fatsoenlijk inkomen te bieden en hen het welzijn te geven dat ze verdienen.

Ik ontmoette een jongeman van Italiaanse afkomst, die sinds zijn aankomst in België het ene na het andere uitzendcontract aaneen heeft geregen. Hij heeft zijn geboortegrond Sicilië verlaten omdat hij geen hoop had er een job te vinden. En ondanks al zijn inspanningen, ondanks zijn harde werk, ondanks alle jobs die hij heeft gehad, wordt hij uitgesloten van de werkloosheid.

Ik heb ook gesproken met een vrouw van Congolese afkomst, die wordt gediscrimineerd op de arbeidsmarkt en niet meer weet wat ze moet doen om een baan te vinden.

Er was ook een vrouw die me opgelucht vertelde: “Ik ben sinds 1 februari met pensioen. Gelukkig maar.”

Ik heb gesproken met een PWA-werknemer, die ondanks alles zal blijven werken voor een Europese school, ook al verliest hij zijn werkloosheidsuitkering en loopt hij het risico niet zijn volledige leefloon te ontvangen. Omdat hij moet werken. Voor zichzelf. Om zijn waardigheid te behouden. Maar hij weet niet hoe hij het zonder inkomen moet redden in juli en augustus, wanneer de school gesloten is. En hij begrijpt niet waarom deze school hem geen echt contract kan aanbieden.

Ik ontmoette een jonge vrouw die in de human resources werkte en werknemers moest ontslaan om ze te vervangen door studenten of flexijobbers, die goedkoper waren voor de werkgever. Dit stond haar zo tegen dat ze ontslag nam. Ze wil geloven dat ze een baan zal vinden die zinvol is en die aansluit bij haar waarden.

Ik ontmoette een man van iets boven de 60. Meer dan 27 jaar gewerkt. Avonden, nachten, soms weekends, in een zwaar beroep. Hij heeft rugpijn, maar niet genoeg om als arbeidsongeschikt te worden erkend. Hij heeft niet genoeg gewerkt om zijn werkloosheidsuitkering te behouden. Ondanks zijn leeftijd. Ondanks zijn 27 jaar aan bijdragen die hij betaalde met zijn gewerkte uren, overuren en weekenduren.

Er was een jonge vrouw met twee kleine kinderen van 8 maanden en 2,5 jaar oud. Ze moest haar man en haar huis ontvluchten en alles achterlaten, met haar twee kinderen onder haar arm, nadat haar oudste kind seksueel misbruikt was… op 2,5-jarige leeftijd! Ze moet haar zaken regelen met advocaten, rechters en sociale diensten. Ze moest stoppen met werken. Binnenkort verliest ze haar uitkering, haar enige bron van inkomsten. Ze schaamt zich om naar het OCMW te stappen om te vragen waar ze nochtans recht op heeft, wat jij en ik, wat de samenleving haar verschuldigd is.

Dit zijn slechts enkele gezichten die ik vanmorgen ben tegengekomen.

Gezichten die mij voor altijd zullen bijblijven.

Ook al heb je hen niet ontmoet, ik hoop dat je met deze woorden een gezicht en een verhaal kan plakken op de 42.000 werkzoekenden in Brussel – en de 180.000 werklozen in België – die geen recht meer hebben op een uitkering.

Achter deze cijfers gaan levens schuil. Gezinnen. Levensverhalen. Dagelijkse strijd.

En tegenover hen staat een federale regering die stigmatiseert, karikaturen schetst en mensen op brute wijze uitsluit. Zonder na te denken. Zonder nuance. Zonder ook maar een kans te geven aan zij die elke dag vechten om een stabiele, duurzame en waardige job te vinden.

Armoede – Een lege rekening is geen beleid

Een opiniestuk van BertEngelaar, voorzitter van het ABVV.

Aan de loketten van de dienstverlenings-kantoren, aan de telefoon, in infosessies … hoorden onze medewerkers de voorbije weken talloze getuigenissen. Geen grote theorieën, wel korte zinnen die blijven hangen.

Mensen die niet afhaken, maar vastlopen. Leden die solliciteren, opleidingen zoeken, afspraken maken, kinderen opvoeden, mantelzorg opnemen, hier en daar een schamel minicontractje binnenhalen en toch wakker worden met één vraag die alles overneemt: staat het geld er al op?

Die vraag kwam het voorbije weekend voor velen aan als een klap in het gezicht. Bankapp open. Refresh. Niets. Geen vertraging die je rustig kunt uitzitten, maar een onmiddellijke kettingreactie: huur, energie, voeding, schoolkosten, kinderopvang. Wie niet kan betalen, verliest keuzevrijheid. Wie keuzevrijheid verliest, verliest ook waardigheid. Dat is geen pech. Dat is beleid dat de grens tussen administratie en overleven dun maakt.

Motivatietechniek

Aan de loketten horen we hoe die dunne grens mensen naar binnen duwt. Eerst komt de schaamte: “Het zal wel mijn fout zijn.” Dan de angst voor de post: brieven die blijven liggen omdat woorden als “geschorst”, “uitgesloten” of “terugvordering” te zwaar wegen.

Daarna volgt de tocht langs loketten en telefoonnummers: opnieuw uitleggen, bewijzen, wachten. Een dossier wordt zwaarder dan een mens. De stress kruipt in de slaapkamer, in de maag, in het hoofd. Wie in overlevingsmodus zit, denkt niet in jaren maar in dagen: hoe komt er morgen eten op tafel?

Toch wordt in het publieke debat vaak beweerd dat lagere uitkeringen mensen vanzelf naar werk duwen. Armoede als bedreigende motivatietechniek: het klinkt stoer, het werkt niet. Onzekerheid is geen begeleiding. Wie constant brandjes blust, kan moeilijk investeren in een toekomst. Dat is niet alleen moreel problematisch, het is ook economisch kortzichtig.

Nieuw onderzoek van KU Leuven, UC Louvain en het Steunpunt tot bestrijding van armoede, op basis van langetermijndata bij tienduizenden mensen, wijst net in de andere richting: hogere uitkeringen boven de armoedegrens helpen mensen sneller terug naar werk, omdat ze opnieuw kunnen investeren in zichzelf. Bijscholen, vervoer betalen, een auto delen, een abonnement nemen, een laptop herstellen, kinderopvang regelen, eindelijk medische of psychologische zorg opnemen die al maanden wordt uitgesteld. Stabiliteit is geen hangmat. Stabiliteit is een springplank.

De verhalen aan de loketten maken die conclusie tastbaar. Leden vertellen hoe een te laag inkomen kleine problemen groot maakt. Wie geen geld heeft voor een treinabonnement, raakt niet op gesprek. Wie de tandarts uitstelt, sleept pijn mee naar elke sollicitatie. Wie geen rustige plek heeft om te slapen, faalt op de dag dat er wél een kans komt. Sommigen doen vrijwilligerswerk, zorgen voor buren, bouwen een netwerk uit, maar worden in het beleid gereduceerd tot “inactief”.

Dat label helpt niemand vooruit.

Daarbovenop dreigt een nieuwe schok: tienduizenden mensen riskeren de komende jaren hun uitkering te verliezen omdat ze langer dan twee jaar werkloos zijn.

Op papier heet dat “activering”. In de praktijk duwt het mensen richting bijstand en dieper richting armoede, precies wanneer ze ondersteuning nodig hebben om opnieuw aan te knopen met werk.

Wie de bodem wegneemt, krijgt geen sprong, maar een val.

De regering wil langdurige werkloosheid aanpakken. Prima. Alleen werkt snijden in uitkeringen niet als route naar werk. Het creëert vooral armoede, stress en gezondheidsproblemen en verschuift mensen van de ene regeling naar de andere. Bovendien wordt een groep die al kwetsbaar is nog kwetsbaarder gemaakt, precies op het moment dat er initiatief nodig is: solliciteren, zich verplaatsen, leren, netwerken. Dat lukt niet met een lege rekening.

Minimumuitkeringen

Wat wél werkt, ligt al jaren op tafel: trek minimumuitkeringen op tot minstens de Europese armoededrempel (rond 1.500 euro voor een alleenstaande, zoals de onderzoekers bepleiten). Combineer dat met echte begeleiding: een snelle intake, intensieve opvolging, haalbare trajecten, opleidingen die leiden naar jobs, betaalbaar vervoer en mentale zorg zonder drempels. Geef mensen tijd en ruimte om opnieuw greep te krijgen op hun leven, zodat werk weer haalbaar wordt.

Ik herhaal mijn oproep om alle ministers die zich bezighouden met tewerkstellingsbeleid rond de tafel te zetten, samen met de sociale partners. Samen kunnen we van de “passende dienstbetrekking” geen slogan maken, maar een echte realiteit. Tijd voor beleid dat mensen boven water houdt in plaats van naar beneden duwt, kopje-onder.

Het einde van het spoor als openbare dienst wordt voorbereid op basis van ideologische dogma’s

Een opiniestuk van Bert Engelaar, voorzitter van het ABVV, en Tony Fonteyne, voorzitter van ACOD-VLIG Spoor.

Wat in het Verenigd Koninkrijk uitliep op de Grote Treinroof dreigt nu ook in België. Bert Engelaar, voorzitter van het ABVV, en Tony Fonteyne, voorzitter van ACOD-VLIG Spoor, waarschuwen dat de geplande hervormingen van het spoor de openbare dienst uithollen, het personeel onder druk zetten en de klimaatambities ondergraven.

De film The Navigators van Ken Loach uit 2002 volgt vijf spoorarbeiders na de liberalisering en privatisering van de spoorwegen in het Verenigd Koninkrijk. De vijf moeten opnieuw solliciteren voor hun eigen job, maar dan bij een onderaannemer en tegen slechtere voorwaarden. Fictie in België? Niet als het van de Arizona-regering afhangt. Spoorpersoneel, reizigers en klimaatactivisten voeren de komende dagen dan ook strijd voor betere arbeidsvoorwaarden en meer spoorpersoneel, voor een hoger en kwalitatief treinaanbod, zodat de ‘modal shift’ op de rails geraakt.

Malaise

De regering wil niet alleen vanaf juni de statutaire aanwerving bij de spoorwegen afschaffen. Ze wil ook het principe van ‘economische overmacht’ invoeren. Dat betekent dat de NMBS, als ze na de liberalisering activiteiten zou verliezen, spoorwerknemers zou kunnen ontslaan.

Het is duidelijk: voor onze spoorwegwerknemers rijdt de trein alleen achteruit. Een externe welzijnsenquête heeft het over “te hoge werkdruk, te veel risico op burn-out, uitputting en uitval, te veel hinder van het werk op het privéleven, te veel externe en interne agressie, te weinig sociale steun”.

De cijfers zijn sprekend. Het aantal werknemers bij de Belgische spoorwegen (NMBS, Infrabel, HR Rail) daalde van 35.898 in 2013 naar 27.569 in 2024. Bovendien wil de regering nog 675 miljoen euro besparen bij de spoorwegen. Wie heeft daar baat bij? De reizigers? Neen, toch!

Einde openbare dienst

Deze strijd gaat over de toekomst van ons spoor. Het wetsvoorstel en de afbouw van het statuut bij de spoorwegen zijn doordrongen van “de noodzaak tot liberalisering” na 2032. Het einde van het spoor als openbare dienst wordt voorbereid op basis van ideologische dogma’s.

Nochtans hebben we al gezien waar dat toe leidt in het Verenigd Koninkrijk. Vriend en vijand zijn het erover eens dat de liberalisering, doorgevoerd sinds het midden van de jaren 90, er volledig mislukt is. Een rapport uit 2013 noemt het The Great Train Robbery of ‘De Grote Treinroof’: “Twintig jaar later hebben de geprivatiseerde spoorwegen elk jaar miljarden subsidies nodig van de belastingbetaler, en hebben ze gefaald in het verzekeren van voldoende private investeringen in de rails of treinen.”

Een wetenschappelijk artikel uit 2017 besluit dat de gedachte dat privatisering tot meer efficiëntie zou leiden “een illusie” is gebleken, dat het geleid heeft tot aanzienlijke extra kosten, en dat het een “zeer foute beleidskeuze” was. En de reiziger? De prijzen voor een treinrit behoren in het VK volgens vergelijkende onderzoeken tot de hoogste van Europa, veel hoger dan bijvoorbeeld in België of Duitsland.

Het hoeft dan ook niet te verbazen dat ongeveer drie vierde van de Britten voorstander is van een hernationalisering van de spoorwegen. Al onder de vorige conservatieve regeringen werd beslist om bepaalde spoorlijnen opnieuw in publieke handen te nemen. De huidige Labour-regering zou tegen 2027 min of meer het volledige spoor opnieuw genationaliseerd hebben.

Gebrek aan visie

Dit is nog zorgwekkender in de context van de klimaattransitie. De vorige regering ontwikkelde een ‘Spoorvisie 2040’ om het aandeel van de trein in de mobiliteit van 8 naar 15 procent te brengen tegen 2040. Een ambitieuze doelstelling, waarvoor een serieuze uitbreiding van het aanbod nodig is. Eind 2024 besliste de NMBS evenwel al om het aanbod trager te laten groeien dan eerder gepland. Eén van de redenen? Te weinig nieuwe treinbestuurders en treinbegeleiders.

De stakingen van het spoorpersoneel zijn ook een strijd voor ons allen: reizigers, belastingbetalers, burgers.

Ook een studie van de Dienst Klimaatverandering is duidelijk. Het aantal jobs in de sector van het openbaar vervoer, waaronder de treinbestuurders, zal de komende decennia sterk moeten groeien. Aangezien de NMBS vooral inzet op groei in de weekends en ’s avonds, betekent dat ook meer onregelmatig werk. Als je dan de arbeidsvoorwaarden terugdringt, waar ga je dan nog de nodige werknemers vinden? De conclusie van de studie is helder: “Structurele inspanningen moeten geleverd worden om de arbeidsvoorwaarden te verbeteren” bij het openbaar vervoer.

Dwarsliggers

Dat spoort dus niet met de nadruk van de Belgische spoorwegen op minder personeel en productiviteitsverhoging, met de afbouw door de regering van het statuut. Het ene wagonnetje haakt vast aan het andere: mindere arbeidsvoorwaarden betekenen een nog moeilijkere zoektocht naar spoorpersoneel, waardoor een hoger en kwalitatief treinaanbod uitgesloten is, wat betekent dat de modal shift en verduurzaming van de transportsector niet op de rails raken. Wie betaalt de prijs? Wij allemaal, met meer vervuiling en meer files.

In die zin zijn de stakingen van het spoorpersoneel ook een strijd voor ons allen: reizigers, belastingbetalers, burgers.

Flexi-jobs zijn geen hefboom, maar een systeem dat vaste jobs doelbewust ondergraaft

Frank Moreels is voorzitter van de Belgische TransportBond BTB-ABVV. Hij schrijft een open brief aan Bart Buysse, de gedelegeerd bestuurder van ondernemersorganisatie Unizo. Deze open brief werd gepubliceerd in De Morgen.

Mijnheer Buysse,

U schrijft, als gedelegeerd bestuurder van ondernemersorganisatie Unizo, dat flexi-jobs geen molensteen zijn, maar een hefboom voor onze arbeidsmarkt. Vanuit de ivoren toren van macrostatistieken klinkt dat misschien geruststellend. Vanuit sectoren waar arbeid vandaag al onder zware druk staat, klinkt het vooral wereldvreemd. In de bus- en autocarsector zien wij zeer concreet wat flexi-jobs doen zodra ze niet langer een uitzondering zijn, maar een structureel instrument worden.

Falende loonpolitiek

Steeds meer werknemers geven aan dat zij met een voltijdse job moeilijk rondkomen. Uw antwoord daarop is: laat hen bijverdienen via flexi-jobs. Dat is geen modern arbeidsmarktbeleid, dat is een erkenning dat het loonbeleid faalt. Een voltijdse job moet volstaan om van te leven. Punt. Wie werknemers richting flexi-jobs duwt, zegt in feite: werk maar meer, aan gunsttarieven, omdat we weigeren lonen structureel op te trekken.

U beweert dat flexi-jobs geen vaste banen verdringen. In de bus- en autocarsector is dat niet alleen theoretisch onjuist, het is economisch naïef. Vandaag bestaat de sector al uit een hoog aandeel deeltijdse contracten, moeilijk combineerbare uurroosters en een structureel personeelstekort dat rechtstreeks verband houdt met loon- en contractonzekerheid.

In die context voert de regering een systeem in waarbij arbeid structureel goedkoper wordt. Een voltijdse chauffeur kost, afhankelijk van de subsector, 195 tot 255 euro per dag. Een flexi-jobber kost minder, bouwt geen rechten op en kan zonder verdere verplichtingen worden ingezet of geschrapt. Wie gelooft dat werkgevers in die context niet gaan opsplitsen, vervangen en herorganiseren, gelooft ook dat water niet stroomt waar het naar beneden kan.

Versnipperde loopbanen

U lacht het idee weg dat werknemers hun arbeidsregime zouden aanpassen. In de bus- en autocarsector is dat geen karikatuur, maar een harde realiteit als logische uitkomst van de regelgeving. Er is momenteel nog een cumulverbod binnen één bedrijf, maar geen cumulverbod binnen de sector. Het resultaat ligt voor de hand: 4/5-contracten worden de norm, aangevuld met flexi-jobs bij andere ondernemingen en binnenkort binnen dezelfde ondernemingsgroep. Voltijdse contracten verdwijnen, loopbanen worden versnipperd en sociale rechten verdampen. Dat is geen vrije keuze van werknemers. Dat is gedwongen flexibiliteit, ingegeven door lagere lonen en hogere werkdruk.

Kwaliteit en veiligheid

In de autocarsector wordt het perfect mogelijk om ervaren chauffeurs te vervangen door gelegenheidschauffeurs van buiten de sector.

Een leerkracht L.O. met het juiste rijbewijs kan morgen als flexi-jobber een bus besturen richting zwembad, skireis of buitenlandse schoolreis. Dat is geen randfenomeen. Dat is een structurele uitholling van vakmanschap, van betrokkenheid bij het bedrijf en van verantwoordelijkheid. Personenvervoer is geen bijberoep. Het gaat over veiligheid, verantwoordelijkheid en vertrouwen.

U schermt met cijfers over het totale arbeidsvolume. Dat is handig, maar misleidend. In sectoren zoals deze van de bus en autocar telt geen nationaal gemiddelde, maar wel de sectorale impact. De wet voorziet geen enkele procentuele beperking van flexi-jobs, geen relatie met de bestaande tewerkstelling, geen rem op vervanging. Een busbedrijf kan dus perfect beslissen om structureel of zelfs uitsluitend met flexi-jobbers te werken.

Dat is geen aanvulling op de arbeidsmarkt. Dat is een alternatief arbeidsmodel, gebaseerd op lagere kosten en minder rechten. Flexi-jobs werden ingevoerd als tijdelijke noodoplossing in de horeca. Het resultaat kennen we: vaste jobs verdwenen, flexibiliteit werd structureel en sociale bescherming uitgehold. Wie vandaag beweert dat dit in andere sectoren niet zal gebeuren, weigert te leren uit het verleden.

U noemt flexi-jobs een hefboom. Voor werkgevers klopt dat. Voor werknemers en voor onze sociale zekerheid zijn ze vooral een hefboom naar beneden. Een sterke arbeidsmarkt bouw je niet op uitzonderingen, maar op vaste jobs, leefbare lonen en sociaal overleg. Flexi-jobs doen precies het tegenovergestelde.

Hoogachtend,
Frank Moreels

Staken : voor of tegen de toekomst van onze kinderen?

24, 25 en 26 november. Drie dagen van historische mobilisatie om een halt toe te roepen aan het sociale offensief van de Arizona-regering. In het hart van deze stakingsacties: de verdediging van ons pensioensysteem, dat vandaag bedreigd wordt. Want achter de geruststellende verklaringen gaan maatregelen schuil die hard zullen toeslaan bij leerkrachten, ambtenaren en, ruimer nog, bij een hele generatie die het risico loopt met een sterk uitgeholde pensioen achter te blijven.

Een opiniestuk van Jef Maes, voormalig federaal secretaris van het ABVV

Een interne nota van het kabinet-Jambon met cijferwerk over de toekomstige pensioenen van het onderwijspersoneel maakt duidelijk dat vooral de jongere ambtenaren, dus onze (klein)kinderen, zwaar zullen inleveren.

Vandaag wordt het pensioen van een ambtenaar berekend op het loon van de laatste tien jaar. Vanaf 2027 komt daar elk jaar een jaar bij. Vanaf 2042 zal het ambtenarenpensioen dus worden berekend op het (lagere) loon van de laatste 45 jaar, net zoals in de privé.

Een leerkracht met een masterdiploma die op de leeftijd van 63 met pensioen gaat, en vandaag 55 jaar is, zal 146 euro per maand inleveren. Een leerkracht die vandaag 35 jaar is, zal al 756 euro per maand inleveren.

De nota van het kabinet-Jambon maakt om evidente redenen niet de rekening van het verlies van iemand die vandaag nog geen 30 jaar is. Tegen dat die ‘jongeren’ met pensioen gaan, zal het verlies nog hoger liggen.

Daar waar de Arizona-politici dus vertellen dat het nodig is om te hervormen voor de toekomstige generaties zijn het net die toekomstige generaties die het meest zullen inleveren, en steeds minder geloven dat ze nog zullen kunnen rekenen op een adequate sociale zekerheid.

Ook andere sociale beschermingsmaatregelen die geleidelijk worden afgebouwd zullen vooral pijn doen aan de jongere generaties, bijvoorbeeld de afbouw van het overlevings- en echtscheidingspensioen, nochtans een belangrijke sociale bescherming voor de mensen (vooral vrouwen) die deeltijds gaan werken om te zorgen voor kinderen en gezin.

Verdeel en heers

“Toch zullen de nettopensioenen van de leerkrachten ook na de hervorming nog veel hoger zijn dan gemiddeld in de privésector”, aldus het kabinet. 

Ze vergelijken hiervoor het pensioen van een ambtenaar die halfweg zijn carrière zit met het gemiddelde van alle werknemers van de privé, dat gemiddeld maar 1.523 euro per maand bedraagt. Dat is natuurlijk appels met peren vergelijken.

Natuurlijk zullen de pensioenen voor ambtenaren met een hoger diploma en dus een hoger loon die halverwege hun carrière zitten en voor wie de hervorming dus nog niet op kruissnelheid zit nog hoger liggen dan het gemiddelde van heel de privé.

“De ambtenaren zullen nog wel 75 procent van hun gemiddeld loon behouden, terwijl dat voor die van de privé maar 60 procent is.” Wat ze er dan niet bij vertellen, is dat het pensioen van de ambtenaren niet wordt berekend wordt op het vakantiegeld en de dertiende maand, terwijl dat in de privé wel het geval is.

De waarheid is dat de ambtenarenpensioenen de facto worden verlaagd tot het niveau van de werknemers van de privé, en daar moet je niet jaloers op zijn. Dat zijn diegenen die nu al aan de staart van het Europese peloton hangen. Erger nog, ook zij zullen door de plannen van de regering-De Wever meer dan 9 procent inleveren en aldus het Europese peloton moeten lossen.

Mochten ze hopen dat hun verlies zal worden gecompenseerd door de uitbouw van een tweede pijler: kijk naar de privé, waar dat bedrijfspensioen voor de overgrote meerderheid nog geen 50 euro per maand oplevert.

De enige troostprijs voor sommige ambtenaren, het onderwijs, de politie en de brandweer is dat ze, ocharme, nog een jaar vroeger met pensioen mogen gaan dan de anderen. Dat hebben ze te danken aan het feit dat ze op 15 januari massaal aanwezig waren op de vakbondsbetoging, waarmee meteen bewezen is dat actie loont.

Voor de zware beroepen in de privésector, de ploeg- en de nachtarbeiders en de bouwvakkers, zat zelfs dat er niet in. Ook niet voor het rijdende spoorwegpersoneel, dat de ene week om 3 uur ’s morgens moet opstaan om de vroegste treinen te laten rijden en de week daarna pas om 2 uur ’s nachts thuis komt van de laatste trein.

Dus wie mort omdat er wordt gestaakt dient zich toch even te informeren.

De Arizona-regering treft vooral laaggeschoolden en deeltijdswerkenden

Terwijl de Arizona-regering de aanvallen op ons sociaal model blijft opvoeren, herinnert de analyse van Jef Maes ons aan een essentiële waarheid: wanneer we investeren in de sociale zekerheid, daalt de armoede. Onder de Vivaldi-regering konden dankzij syndicale strijd en de verhoging van de minimumbedragen duizenden gezinnen eindelijk uit de onzekerheid geraken. Maar deze historische vooruitgang wordt vandaag bedreigd door een coalitie die de factuur presenteert aan dezelfde groepen die al het meest onder druk staan: laaggeschoolde werknemers, vrouwen, deeltijdsen en langdurig werklozen. Op basis van een studie van de FOD Sociale Zekerheid hekelt Jef Maes de gevolgen van het Arizona-beleid voor de armoede en, meer specifiek, de zwaardere impact op laaggeschoolden. Een nuttige lectuur om te begrijpen wat er op het spel staat in deze sociale krachtmeting.

Een opiniestuk van Jef Maes, voormalig federaal secretaris van het ABVV

Mag het ook eens goed nieuws zijn? Volgens een recente studie van de FOD Sociale Zekerheid heeft België het bijzonder goed gedaan in de jaren 2019-2024, de jaren van de Vivaldi-regering dus. De armoede nam het meest af van alle Europese landen (-22,3 procent).

Zonder sociale zekerheid zou een op de vier Belgen arm zijn. Dat betekent: minder dan 1.522 euro per maand als alleenstaande, of 2.283 euro voor een koppel zonder kinderen. Dankzij ons sociaal model zakt dat armoedecijfer tot 11,3 procent – het laagste sinds het begin van de metingen, en na Tsjechië het laagste van Europa. Onze sociale zekerheid is daarmee de meest doeltreffende in Europa in het terugdringen van armoede.

“In verhouding tot ons bbp zijn onze sociale uitgaven de voorbije jaren niet sterk gestegen, alleen maar heel eventjes tijdens de coronacrisis”, aldus Natascha Van Mechelen, één van de onderzoekers, in Knack. “Onze sociale uitgaven bleven over die hele periode vrijwel gelijk, maar ze zijn gerichter ingezet op kwetsbare groepen en dat zorgde voor de daling van de armoede.”

Als we de recentste cijfers van Eurostat bekijken, zien we inderdaad dat België in 2022 (laatste cijfers) met 27,6 procent van zijn bbp niet meer uitgeeft aan sociale bescherming dan in de andere Europese eurolanden (27,8 procent). Dat percentage is in België tussen 2012 en 2022 zelfs licht gedaald.

Welvaartsaanpassingen

Hoe komt het dat we dan toch zo’n daling van de armoede meemaken? Dat is ten eerste te wijten aan het feit dat de vakbonden vanaf 2007 – na ettelijke manifestaties – een systeem van welvaartsaanpassingen voor de sociale uitkeringen afdwongen.

Met dat systeem konden ze de minima elke twee jaar met 2 procent verhogen bovenop de index. Ze konden hiermee ook het percentage voor alleenstaanden die langer dan één jaar ziek of werkloos zijn verhogen van 40 naar 55 procent, waardoor zij minder in armoede belanden dan in de buurlanden. Bovendien slaagden ze erin om ook de minimumlonen te verhogen, waardoor de armoede bij werkenden (4,3 procent) slechts half zo hoog ligt als in de rest van Europa (8,2 procent).

In 2019 kwam bovendien de paars-groene Vivaldiregering aan de macht, die de minima verhoogde. Voor de gepensioneerden verhoogde minister van Pensioenen Lalieux (PS) die zelfs met 14 procent bovenop de index. Zoals ik vroeger al schreef: de Vivaldi-regering was voor de sociale zekerheid de beste regering in vijftig jaar.

Betekent dit dat we in het sociaal paradijs leven? Zeker niet! Een werkpunt is zeker het aantal (quasi) jobloze gezinnen. Daar doen we het slecht.

Eén op de vier alleenstaande ouders bevindt zich nog altijd in armoede. De zorg voor de kinderen heeft dikwijls als gevolg dat ze zich maar een deeltijdse job kunnen permitteren. Het zijn net de deeltijdswerkenden, vooral vrouwen, die het meest getroffen worden door de pensioenmalus die de huidige Arizona-regering wil invoeren.

De helft van de werklozen is vandaag al arm. Met de uitsluiting van 180.000 langdurig werklozen, waaronder meer dan 50.000 ouderen, zal dat resultaat in 2026 nog dramatisch verslechteren.

Laaggeschoolden en vrouwen

De besparingen in de werkloosheid en de pensioenen raken vooral de laaggeschoolden, en net zij hebben al bovenmatig te kampen met armoede (24 procent).

Bovendien heeft de sociale zekerheid niet alleen als taak om de armoede te verminderen, maar ook om je levensstandaard te beschermen als je niet meer kan werken. Dat aspect onderzoekt het rapport van de FOD sociale zekerheid spijtig genoeg niet.

Maar uit talrijke Europese studies weten we dat we met onze pensioenen op dat vlak slecht scoren, en dat we met de plannen van deze regering de rol in het Europees peloton definitief zullen moeten lossen.

De pensioenen van de werknemers zullen in verhouding met hun vroeger inkomen 9,2 procent zakken. Die van de ambtenaren met meer dan 12 procent.

Dat is dan nog in de veronderstelling dat de uitkeringen vanaf 2025 tot 2070 opnieuw en ononderbroken aangepast zouden worden aan de welvaart.

Anders dreigt een ramp.

Federaal budget – Geen losse eindjes, maar broodnodige sociale keuzes

Een opiniestuk van Jef Maes, voormalig federaal secretaris van het ABVV

Aan de vooravond van de grote vakbondsmanifestatie maakte Nahima Lanjri (cd&v) in de Kamer al duidelijk aan minister van Pensioenen Jambon (N-VA) dat zieken niet ook nog eens gediscrimineerd mogen worden door hun pensioen te korten. “Voor cd&v moet die periode volledig moet meetellen. Men kan daar immers niets aan doen, men kiest er niet voor om bijvoorbeeld ALS, MS of kanker te krijgen.” Laten we hopen dat ze werkelijk sprak voor cd&v, en dat haar vicepremier Van Peteghem dit standpunt deze keer wél hard zal maken.

Vorige donderdag in Dilbeek heeft nu ook Conner Rousseau het licht gezien. “Mijn moeder heeft kanker gehad”, zei de Vooruit-Voorzitter tijdens een ‘luistertoer’. “Eén jaar heeft ze niet gewerkt, vier jaar minder. Dat zich dat vertaalt naar haar pensioen ga ik niet aanvaarden.”

Een mens zou zich afvragen wie dat regeerakkoord dan onderhandeld heeft!

Maar goed, in het socialistisch paradijs is er veel vreugde voor wie zich na de grote manifestatie bekeerd heeft. Laten we hopen dat zijn vicepremier Vandenbroucke dit nu ook hard maakt.

Want dat ziekte niet mee zou tellen als gewerkte periode om de pensioenmalus te ontlopen of om na 42 jaar werken op pensioen te kunnen, werd al goedgekeurd in de ministerraad. Maar er komt een ‘tweede lezing’ van het wetsontwerp. Een tweede kans voor de zes grijze mannen die het kernkabinet rijk is.

Ondertussen hebben we minister Jambon wel al kunnen overtuigen dat moederschapsverlof niet laten meetellen vernietigd zou worden door het Europees Hof van Justitie, wegens overduidelijke genderdiscriminatie.

Arbeidsrecht

Iedereen spreekt over de pensioenen. Dat de Arizona-regering minstens even belangrijke maatregelen neemt die de bescherming van de werkende mens verminderen, is veel minder bekend.

Vicepremier Clarinval (MR) overdrijft niet als hij pocht met zijn “liberale revolutie van de arbeidsmarkt”.

Zo zal een werknemer van eind de vijftig die 29 jaar in dezelfde fabriek werkte en ontslagen wordt, het in de toekomst moeten stellen met maximum één jaar opzeggingsvergoeding, en daarna riskeren om na twee jaar werkloosheid ‘van den dop’ te vliegen. Om zich daarna te moeten richten tot het OCMW.

Als hij echter een partner heeft met een inkomen, of als hij te veel gespaard heeft, zal hij zelfs daar geen recht meer hebben op een leefloon. In elk geval zal hij geen sociale rechten en ook geen pensioenrechten meer opbouwen als hij op zijn leeftijd geen ander werk vindt.

Gelukkig is er nog internationale wetgeving die een aantal uitwassen beperkt.

Daar waar België vroeger altijd in Europa en in de wereld voorop liep in sociale wetgeving, wordt het vandaag door die internationale wetgeving dikwijls zelfs ingehaald.

Zo heeft de Raad van State er de regering nu op moeten wijzen dat het afpakken van de premies voor nachtarbeid voor de uren vóór middernacht en na 5 uur ’s morgens voor toekomstige arbeiders in de distributiesector en aanverwante sectoren strijdig is met het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie. Dat voorziet dat premies voor nachtwerk minstens voor zeven opeenvolgende uren gegeven moeten worden.

De Raad van State vindt overigens dat het feit dat nieuwe arbeiders veel minder beloond zouden worden, ertoe leidt dat “de verloning van werknemers met een gelijkaardig profiel, die eenzelfde functie vervullen, sterk uiteenloopt”, en dat de regering dat verschil onvoldoende motiveert.

Idem dito voor de jaarlijkse 360 overuren boven op de 38-urenweek die de regering zou willen invoeren. Voor 240 uren daarvan zouden overigens geen sociale bijdragen betaald moeten worden, waardoor die uren ook niet meer mee zouden tellen voor het pensioen. De Raad van State denkt dat dit botst met de Europese regelgeving. Ook het feit dat de vakbonden niet meer hun akkoord zouden moeten geven voor die overuren, botst volgens de Raad van State met het feit dat daardoor “het beschermingsniveau van het door de Grondwet gewaarborgde recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen” vermindert.

Dit zijn geen ‘losse eindjes’ die nog moeten opgelost worden vooraleer men aan de begrotingsbesprekingen begint. Dit zijn stuk voor stuk sociale keuzes.

Ze werden in het nadeel van de gewone mensen beslecht in het regeerakkoord en in de eerste wetsontwerpen, maar kunnen nog ten goede gekeerd worden.

Voor christendemocraten en socialisten is dit een essentiële opdracht, die ze tot nu onvoldoende volbracht hebben.