Van de regering-Michel tot Arizona: de ‘starve the beast’-strategie gaat door
De inkomsten van de overheid en de sociale zekerheid verminderen, de tekorten laten oplopen en die tekorten vervolgens aangrijpen om nieuwe besparingen te rechtvaardigen: in een opiniestuk dat verscheen in De Morgen analyseert Jef Maes, voormalig federaal secretaris van het ABVV, een politieke strategie die volgens hem al sinds de regering-Michel wordt toegepast en vandaag onder de Arizona-regering wordt voortgezet.
Begrotingstekort – Een uitstekend staaltje van de ‘starve the beast’-strategie
Een opiniestuk van Jef Maes, voormalig federaal secretaris van het ABVV, gepubliceerd in De Morgen.
Een tv-fragment blijft in mijn geheugen gegrift. In een onbewaakt moment gaf Bart De Wever daarin toe dat het huidige begrotingstekort bewust georganiseerd is.
Dat gebeurde onder de door N-VA en liberalen gedomineerde regering-Michel, die een fiscaal en parafiscaal cadeau van liefst 12 miljard euro gaf aan de bedrijven, zonder compenserende inkomsten te voorzien.
Daarvoor werden de belastingen op de winsten van bedrijven verminderd van 33 naar 25 procent. Ook de patronale bijdragen werden verminderd van 32 naar 25 procent. Dat werd een ’taxshift’ genoemd.
“Het klopt dat de taxshift niet voldoende gefinancierd is. Men heeft doelbewust gekozen om niet alles mee te rekenen. Dat dringt op termijn een infernale besparingslogica op en dus komt men terecht bij de overheidsuitgaven waar ze nog zitten: de sociale zekerheid”, aldus De Wever via nieuwssite Newsmonkey (2017).
Het dwingen van toekomstige regeringen om te besparen op de sociale zekerheid was dus het ultieme doel.
De paars-groene Vivaldi-regering trapte niet in de val. Wat zij, terecht, besteedde aan de verhoging van het minimumpensioen (ongeveer 3 miljard euro) was echter een habbekrats in vergelijking met de 12 miljard euro die voordien aan de bedrijven cadeau was gedaan.
Het was bovendien goed besteed, want voor het eerst sinds de metingen daalde het armoedecijfer fors, tot 10,9 procent.
Wat weinigen weten, is dat De Wever bovendien in het voorakkoord van Vollezele met Paul Magnette (PS) akkoord was gegaan met dezelfde sociale verbeteringen, in ruil voor verdere regionalisering. Een voorakkoord dat afgeblokt werd door liberalen en groenen, maar waarvan de sociale correcties onder Vivaldi hernomen werden.
Bravoure
Diezelfde De Wever die onder de regering-Michel bewust de overheidsfinanciën om zeep hielp, en daarna akkoord ging met de verhoging van de sociale minima, slaagde er tijdens de verkiezingsstrijd in 2024 in om de “verrotting” van de overheidsfinanciën helemaal in de schoenen van de Vivaldi-regering te schuiven. Je moet het maar durven. En er nog in slagen ook.
Uiteindelijk zal zijn Arizona-regering doen wat tien jaar geleden al het doel was: zwaar besparen in de sociale zekerheid. Waarbij De Wever er dan nog in slaagt zich te profileren als ‘redder des vaderlands’. Een uitstekend staaltje van de starve the beast-strategie[1], die trouwens nog altijd doorgaat.
Want terwijl dramatisch gedaan wordt over de 10 miljard aan besparingen die nu moeten worden gevonden, is door deze regering nog 2,3 miljard euro cadeau gegeven aan de bedrijven, en daar zijn de goedkope flexi-jobs en overuren nog niet in meegerekend. Bovendien worden miljarden extra vrijgemaakt voor defensie en voor niet-gedekte belastingverlagingen.
Het was nochtans al eens voorgedaan. Nadat de regeringen-Martens en -Dehaene een begrotingstekort van liefst 17 procent hadden weggewerkt, was er op het eind van de jaren 90 een structureel begrotingsoverschot dat voldoende was om de toekomstige meerkosten van de vergrijzing op te vangen. Dehaene deed dat trouwens met zowel besparingen als nieuwe inkomsten. Ik heb nog mee de stakingen tegen het Globaal Plan van Dehaene in 1993 georganiseerd, maar ik moet toegeven: vergeleken met het parcours van Arizona vandaag, was dat een toonbeeld van evenwichtigheid.
De paars-groene regering-Verhofstadt verkwistte echter dat begrotingsoverschot. In het boek Een open boek – 8 jaar Verhofstadt wordt gepocht dat de federale belastingen met 10,4 miljard euro werden verlaagd, waarvan een flink deel voor de bedrijven. In zijn begrotingstabellen rekende Verhofstadts kabinetschef Luc Coene met enorme “terugverdieneffecten”. Later zal Coene als gouverneur van de Nationale Bank een van de grootste pleitbezorgers worden voor langer werken en besparingen in de sociale zekerheid. Op het einde van de regering verkocht minister van Begroting Vande Lanotte (Vooruit) overheidsgebouwen, om ze daarna terug te leasen bij privé-investeerders.
Uiteindelijk slaagden de neoliberalen ook deze keer in hun strategie van starve the beast: de inkomsten van de overheid dusdanig verminderen dat volgende regeringen, wat hun samenstelling ook is, verplicht zullen zijn om te besparen.
Ook de hoofdredacteur van Trends moest in zijn laatste boek toegeven dat de centrumlinkse regeringen-Dehaene en -Di Rupo meer bespaarden dan de door neoliberalen gedomineerde rechtse regeringen. Laat die stukken politieke geschiedenis spiegels zijn voor het huidige begrotingsdebat, waarin opnieuw weinig zal zijn wat het lijkt.
[1]‘Het beest uithongeren’, een politieke strategie die erop gericht is de overheidsinkomsten bewust te verminderen om zo budgettaire druk te creëren, die vervolgens wordt aangegrepen om besparingen op de overheidsuitgaven te rechtvaardigen.
Bert Engelaar reageert op Roland Duchâtelet: “Een autobiografie is geen sociaal model”
In een interview dat op 14 augustus in De Morgen verscheen onder de titel ‘Droom erop los, maar niet met mijn geld’, pleit ondernemer Roland Duchâtelet voor een radicale hervorming van ons samenlevingsmodel: het einde van de leerplicht in het secundair onderwijs, het stopzetten van de publieke financiering van het universitair onderwijs, het ter discussie stellen van ons socialezekerheidsstelsel en zelfs van de werking van onze democratie. Hij stelt ook voor om kinderarbeid vanaf 12 jaar opnieuw toe te laten.
Bert Engelaar, voorzitter van het ABVV, reageert: een samenleving bestuur je niet als een onderneming en een individueel parcours, hoe uitzonderlijk ook, kan niet als model voor iedereen dienen.
Een samenleving is geen holding, burgers zijn geen aandeelhouders
Een opiniestuk van Bert Engelaar, voorzitter van het ABVV.
Roland Duchâtelet heeft een probleem met de samenleving. Ze kost hem te veel. In het interview (DM 15/8) vertelt de ondernemer dat hij niets had toen hij trouwde, tijdens zijn studies werkte en een succesvolle ondernemer werd. Prima. Maar een autobiografie is geen sociaal model.
‘Ik kon het, dus iedereen kan het’ klinkt aantrekkelijk wanneer je zelf boven bent geraakt. Succes wordt individuele verdienste, mislukking een persoonlijk tekort. Afkomst, geluk, gezondheid, onderwijs, een netwerk, ouders met geld of zonder geld verdwijnen uit beeld. Zo wordt ongelijkheid uiteindelijk de schuld van wie ze ondergaat.
Zelf kon hij studeren aan een gesubsidieerde universiteit. Vandaag moeten anderen maar lenen, “zoals in Amerika”. Wat voor jezelf vanzelfsprekend was, wordt voor de generatie na jou plots een luxe die ze zelf moet financieren.
Het verbod op kinderarbeid mag vanaf 12 jaar verdwijnen. In zijn streek moeten werkgevers Roemenen aantrekken, terwijl kinderen “evengoed appelen en peren” kunnen plukken. Natuurlijk kan een 12-jarige dat. De vraag is niet of kinderen kunnen werken. De vraag is waarom wij beslist hebben dat ze dat niet hóéven te doen. Recht op onderwijs, vrije tijd, ontwikkeling en bescherming, weet u wel. Een tekort aan arbeidskrachten oplossen met 12-jarigen is geen revolutionair toekomstidee. Het is een bijzonder oud idee waarvan we terecht afscheid hebben genomen.
Productiviteitswinst
Dan is er AI. Miljoenen banen zouden verdwijnen. Dat debat moeten we voeren. Maar het is absurd om te voorspellen dat er straks minder werk is voor volwassenen en tegelijk voorstellen om 12-jarigen aan het werk te zetten. Belangrijker is wie de enorme productiviteitswinsten van AI krijgt. Wanneer machines meer werk overnemen, kunnen we die rijkdom gebruiken voor meer tijd, beter onderwijs, zorg en bestaanszekerheid. Of de winsten concentreren bij een kleine groep eigenaars en de rest een bedrag geven om te blijven consumeren.
Ook de redenering over school vertrekt sterk vanuit de eigen leefwereld. Zijn kinderen en kleinzoon zijn hoogbegaafd en verveelden zich. Mijn eigen zonen ook. Ik weet dus dat ons onderwijs daar soms tekortschiet. Maar daaruit besluiten dat middelbaar onderwijs facultatief moet worden, is iets helemaal anders.
Voor sommige kinderen is school saai. Voor andere is het de plek waar hun afkomst even niet beslist hoe ver ze mogen dromen. Het ene kind heeft hoogopgeleide ouders, een computer en een netwerk dat deuren opent. Een ander maakt huiswerk aan de keukentafel terwijl moeder de avondshift doet. Geef beiden dezelfde zogenaamde vrijheid en ze krijgen nog altijd totaal verschillende kansen.
Hetzelfde geldt voor de 8 euro remgeld bij de dokter, die volgens Duchâtelet niet veel voorstellen. Voor veel mensen is 8 euro wel geld, boven op huur, energie, voeding en medicatie. Wie nooit hoeft te tellen tot het einde van de maand, moet voorzichtig zijn met bepalen wat voor een ander weinig is.
Handleiding
Daar wringt het interview. Een uitzonderlijk succesvolle man maakt van zijn uitzonderlijke levensloop een handleiding voor iedereen. Een samenleving kan niet georganiseerd worden op maat van uitzonderingen. Niet iedereen wordt ondernemer, kan lenen of heeft een financieel vangnet wanneer iets mislukt. Precies daarom hebben generaties voor ons sociale zekerheid, openbaar onderwijs, arbeidsrecht en toegankelijke gezondheidszorg opgebouwd.
Ook de ideeën over democratie zijn hallucinant. Parlementen zijn te traag, Singapore is een voorbeeld en zelfs China is een democratie. Telkens hetzelfde idee: laat de juiste mensen beslissen en alles wordt efficiënter. Een samenleving is geen holding. Burgers zijn geen aandeelhouders. Kinderen zijn geen goedkope arbeidsreserve.
Duchâtelet kreeg kansen in een samenleving die investeerde in onderwijs, onderzoek en infrastructuur en heeft die benut. Respect. Maar dit succes geeft je niet het recht te besluiten dat anderen die kansen niet meer nodig hebben.
Een kind van 12 hoort niet in een boomgaard omdat een werkgever geen fruitplukkers vindt. Een jongere hoort niet met een berg schulden aan zijn studies te beginnen omdat zijn ouders geen universiteit kunnen betalen. Een zieke hoort een doktersbezoek niet uit te stellen omdat 8 euro voor iemand anders weinig lijkt.
Vooruitgang betekent dat wie na ons komt meer kansen krijgt. Niet de factuur voor de kansen die wij zelf gekregen hebben.
Meer dan de helft van de mensen die dit jaar hun werkloosheidsuitkering verloren, klopte aan bij het OCMW, terwijl slechts een klein deel opnieuw werk vond. Voor Bert Engelaar toont deze eerste balans vooral aan dat de regering-De Wever de factuur doorschuift en de betrokkenen armer maakt, zonder de problemen op de arbeidsmarkt of die van de overheidsfinanciën op te lossen.
In een opiniestuk op DeWereldMorgen, een onafhankelijk Vlaams medium, roept hij op om het over een andere boeg te gooien: in plaats van geld te zoeken in de zakken van wie het minst heeft, is het tijd om de grootste vermogens eerlijk te laten bijdragen.
Een opinistuk van Bert Engelaar, Voorzitter van het ABVV
Meer dan de helft van de werklozen die dit jaar hun uitkering verloren, heeft intussen een leefloon aangevraagd bij het OCMW. De regering-De Wever ging ervan uit dat ongeveer één op de drie uitgesloten werklozen die stap zou zetten. Het werden er 53 procent. Van de ruim 99.000 mensen die hun werkloosheidsuitkering zagen verdwijnen, vroegen er meer dan 52.000 een leefloon aan en kregen ruim 43.000 dat leefloon ook daadwerkelijk toegekend. De grote arbeidsmarkthervorming waarop deze regering zo trots was, blijkt voorlopig vooral een dure verhuisfirma: mensen worden uit de werkloosheidsverzekering gezet, waarna ze enkele loketten verder bij het OCMW terechtkomen.
De uitkering verdwijnt uit de boeken van de RVA, maar de mens verdwijnt uiteraard niet. Ook de huur, de energiefactuur en de prijs van de winkelkar verdwijnen niet. De federale regering kan pronken met een lagere uitgave in één stelsel, terwijl de gemeenten extra dossiers, extra begeleiding en extra uitgaven krijgen. De rekening wordt niet opgelost, ze wordt doorgeschoven. Het inkomen van de betrokkene wordt onderweg doorgaans wel een stuk lager. Dat is dan blijkbaar de hervorming.
Toch klinkt het allemaal goed in het hoofd van een behoorlijk deel van Vlaanderen. Werklozen hun uitkering afnemen, dat voelt tenminste kordaat. Eindelijk wordt er opgetreden tegen mensen die al jaren op kosten van de samenleving leven. Eindelijk worden de profiteurs wakker geschud. Eindelijk moet iedereen zijn deel doen.
Wie die profiteurs precies zijn, blijft meestal onduidelijk. Het zijn in elk geval zelden de mensen die we persoonlijk kennen. Abdel uit de straat is geen profiteur, want die heeft twintig jaar in de bouw gewerkt en vindt na zijn rugoperatie nauwelijks nog een werkgever die hem wil aannemen. Sarah, de buurvrouw die alleen voor haar kinderen zorgt nadat haar winkel sloot, is ook geen profiteur. Zij probeert het echt. Abdullah, de sterspeler van de voetbalploeg van je zoon, komt evenmin uit zo’n gezin, want zijn ouders zijn vriendelijke mensen die altijd helpen bij de club.
De profiteurs zijn altijd de anderen. Ze wonen ergens buiten onze straat, staan niet naast ons aan de schoolpoort en verkopen geen wafels voor de voetbalploeg. Zodra mensen een naam, een gezicht en een verhaal krijgen, blijken ze opvallend vaak ontslagen, ziek, gescheiden, laaggeschoold, te oud volgens de werkgever of gevangen in een regio waar de jobs nu eenmaal niet voor het rapen liggen. Toch wordt in het publieke debat een handige anonieme massa gecreëerd, een leger van luie mensen dat thuis in de zetel ligt terwijl de hardwerkende Vlaming de rekening betaalt.
Dat beeld is politiek bijzonder winstgevend. Rechts heeft immers een verhaal dat iedereen onmiddellijk begrijpt: er is te weinig geld, omdat te veel mensen profiteren. Neem hun uitkering af, zet hen onder druk en de begroting komt opnieuw in evenwicht. De oplossing past op een bierkaartje en vraagt geen moeilijke uitleg. Het is alleen jammer dat de cijfers telkens opnieuw weigeren mee te werken.
Van de eerste groepen die hun uitkering verloren, vond voorlopig ongeveer tien procent werk. Een vergelijkbaar deel kwam in de ziekteverzekering terecht. Meer dan de helft stapte naar het OCMW. De regering nam mensen dus geen uitkering af omdat er een baan op hen wachtte, maar omdat een politieke kalender had beslist dat hun tijd verstreken was. Wie na twee jaar geen werk heeft, wordt armer gemaakt, ook wanneer er geen werkgever klaarstaat, de gezondheid het laat afweten, kinderopvang onbetaalbaar is of het openbaar vervoer de bedrijventerreinen simpelweg niet bereikt.
Armoede wordt zo als arbeidsmarktinstrument gebruikt. De redenering luidt dat iemand harder zal zoeken zodra zijn inkomen daalt. Alsof werkgevers plots minder selectief worden wanneer een werkloze minder geld heeft. Alsof een rugprobleem verdwijnt omdat de RVA een brief stuurt. Alsof leeftijdsdiscriminatie ophoudt zodra het leefloon begint. Alsof een alleenstaande moeder meer uren in een dag krijgt wanneer haar uitkering wordt stopgezet.
De regering kan zich intussen wel beroepen op daadkracht. Zij heeft beslist, gesanctioneerd en geschrapt. De resultaten zijn minder indrukwekkend. De begroting is niet gered, de arbeidsmarkt is niet plots hervormd en tienduizenden mensen zijn niet aan het werk geholpen. Wel kregen de OCMW’s er een enorme opdracht bij en moeten gezinnen met nog minder inkomen verder. De statistiek van de werkloosheidsverzekering ziet er beter uit, wat in de Wetstraat wellicht als een succes geldt. Wie van de ene tabel naar de andere verhuist, telt blijkbaar als geactiveerd.
Vervolgens komt onvermijdelijk de volgende groep in beeld. Nu de opbrengst bij de werklozen tegenvalt, wordt naar de langdurig zieken gekeken. Daar zouden nog veel meer mensen zitten die met voldoende druk opnieuw aan het werk kunnen. Ook daar is de boodschap eenvoudig: strenger controleren, sneller sanctioneren en minder lang betalen. Dezelfde methode wordt herhaald, hoewel de eerste toepassing nauwelijks het beloofde resultaat oplevert.
Het merkwaardige is dat financiële prikkels in onze politiek slechts één richting uitgaan. De werkloze moet een financiële prikkel krijgen om werk te zoeken. De zieke moet een financiële prikkel krijgen om sneller te herstellen. De alleenstaande moeder moet een financiële prikkel krijgen om elke job aan te nemen. Zodra het over de allerrijksten gaat, verandert de woordenschat. Dan moeten we opletten dat we niemand afschrikken, dat vermogen niet vlucht en dat investeerders zich welkom blijven voelen. De arme krijgt een stok, de rijke krijgt begrip.
Daar zit de kern van het probleem. Deze regering zoekt geld bij mensen die nauwelijks geld hebben. Het is politiek eenvoudig, want zij beschikken niet over fiscalisten, lobbyisten of rechtstreekse toegang tot kabinetten. Hun vermogen kan niet in een holding verdwijnen en hun inkomen kan niet naar een fiscaal gunstiger constructie worden verschoven. Wie van een uitkering leeft, heeft een bankrekening die gecontroleerd kan worden en een huisadres waar een brief naartoe kan. Dat maakt hem een bijzonder gemakkelijk doelwit.
Wie echt veel bezit, staat er heel anders voor. Vermogen groeit vaak sneller dan lonen. Huizen, aandelen en beleggingen leveren nieuwe inkomsten op, terwijl wie enkel van arbeid leeft vooral belastingen betaalt op elke verdiende euro. Grote fortuinen worden doorgegeven, rendementen stapelen zich op en geld begint vanaf een bepaald niveau vooral nieuw geld voort te brengen. De samenleving wordt ondertussen wijsgemaakt dat het grote begrotingsprobleem zich bevindt bij iemand die van 1.300 euro per maand leeft.
Dat is economisch onzin, maar politiek werkt het. Rechts wijst naar beneden en zegt dat daar het geld zit. Vakbonden en progressieven antwoorden vervolgens met een plan van twintig maatregelen, meerdere uitzonderingen, berekeningen over fiscale ontvangsten en een uitvoerige toelichting over alle mogelijke vormen van vermogensbelasting. Tegen de tijd dat onze derde tabel is uitgelegd, heeft rechts de discussie al gewonnen met vijf woorden: pak de profiteurs hun geld af.
Daar moeten we het geweer dringend van schouder veranderen. Ons antwoord hoeft niet ingewikkeld te zijn. Zoek het geld waar het zit. Laat de grootste vermogens eindelijk een eerlijke bijdrage betalen. Voer een rijkentaks in.
Daarmee wordt niet de kleine spaarder bedoeld, evenmin de zelfstandige die zijn hele leven werkte om een zaak op te bouwen of het gezin dat eindelijk een woning heeft afbetaald. Het gaat over de allergrootste fortuinen, over mensen die miljoenen bezitten en wier vermogen jaar na jaar groeit zonder dat zij daarvoor nog een uur extra moeten werken. Wie zoveel heeft dat zijn levensstandaard niet verandert door een ernstige bijdrage, kan die bijdrage ook leveren.
Een rijkentaks is geen straf voor succes. Het is de eenvoudige erkenning dat een samenleving niet kan blijven draaien wanneer arbeid zwaar wordt belast en enorme vermogens grotendeels worden ontzien. Verpleegkundigen, leerkrachten, de zelfstandige kruidenier, bouwvakkers en winkelbedienden betalen elke maand belastingen vóór hun loon op de rekening staat. Het is moeilijk uit te leggen waarom iemand met een gigantisch vermogen eindeloos mogelijkheden krijgt om zijn bijdrage te beperken, terwijl een werkloze iedere euro spaargeld moet verantwoorden aan het OCMW.
De regering-De Wever wilde aantonen dat zij taboes durfde te doorbreken. In werkelijkheid brak zij vooral de bescherming af van mensen die weinig politieke macht hebben. Tienduizenden werklozen verloren hun uitkering, meer dan de helft kwam bij het OCMW terecht en slechts een beperkte groep vond voorlopig werk. De verwachte begrotingswinst bleek grotendeels een illusie, terwijl de maatschappelijke kost zeer reëel is.
Wat hebben we dan gewonnen? Geen 99.000 nieuwe werknemers, geen sluitende begroting en geen arbeidsmarkt die plots beter functioneert. Wel armere gezinnen, zwaarder belaste gemeenten, meer onzekerheid en een regering die een administratieve verschuiving verkoopt als een historische hervorming.
De werkloze heeft dit land niet leeggeroofd. Abdel, Sarah en al die andere mensen die proberen overeind te blijven, hebben geen miljarden verborgen. De begroting zal niet gered worden door hen nog wat dieper in de armoede te duwen. Wie ernstig werk wil maken van gezonde overheidsfinanciën, moet ophouden met zoeken in lege zakken.
Het geld zit bovenaan.
Haal het daar.
Machtsvertoon en minachting als reactie op het sociaal protest
Open brief Florence Lepoivre en Jean-François Tamellini
Op 4 juni sloten velen onder ons zich aan bij de duizenden mensen die protesteerden aan het Parlement van de Federatie Wallonië-Brussel, tegen het besparingsbeleid dat het onderwijs, de cultuur, de kinderopvang, het onderzoek en de openbare media keihard treft.
We kwamen er leerkrachten, universiteitsdocenten, schoolpersoneel, opvoeders, cultuurwerkers en ouders tegen. Maar vooral heel veel jongeren.
Jongeren die hun toekomst kwamen verdedigen.
Jongeren die heel goed weten dat de bewering van de federale regering en van de Federatie Wallonië-Brussel dat de maatregelen in hun belang zijn “om de volgende generaties te behoeden” een leugen is.
Deze betoging was vreedzaam. Het geweld dat in de marge van de betoging plaatsvond, is onaanvaardbaar en moet ondubbelzinnig worden veroordeeld.
Maar het geweld mag niet doen vergeten wat echt telt: wat we die dag zagen, was de bezorgdheid van een generatie over de geleidelijke uitholling van de openbare diensten en van de middelen die hun volwassenwording ondersteunen.
Wat ons op 4 juni het meest is bijgebleven, is niet het geweld van enkele individuen die een vreedzame demonstratie kwamen verstoren.
Het is het schrijnende contrast tussen de eisen van duizenden jongeren en het onthaal dat hen te beurt viel.
We hebben waterkanonnen gezien. Politieagenten in oproeruitrusting.
We zijn getuige geweest van de politie die chargeert, met hun wapenstokken slaat, traangas spuit.
Interventies waarvan velen zich terecht afvragen of ze wel proportioneel waren.
Want daar gaat het inderdaad om.
Hoe zit het met de proportionaliteit wanneer leerkrachten, scholieren en hun ouders verstrikt geraken in zulke gewelddadige interventies?
We zagen ook militairen voor het station van Brussel-Centraal, gewapend met aanvalswapens, die naast de politie stonden, tegenover de jongeren, alsof er een opstand of een burgeroorlog gaande was.
In een rechtsstaat is het leger niet bedoeld om de openbare orde te handhaven, op enkele uitzonderingen na, zoals terroristische dreigingen of andere ernstige bedreigingen voor het voortbestaan van de staat.
Militairen zijn noch opgeleid, noch uitgerust om betogingen in goede banen te leiden. Enkel in autoritaire landen, waar de rechtsstaat niet meer bestaat, wordt het leger ingezet voor dergelijke taken.
Welke boodschap geven we mee aan jongeren die zich zorgen maken over hun toekomst, wanneer ze getuige zijn van dergelijke machtsvertoon, terwijl ze alleen maar willen gehoord worden?
Welke boodschap geven we aan hen die opkomen voor hun school, hun universiteit, hun toegang tot cultuur of onderzoek, wanneer ze het gevoel hebben dat ze in de eerste plaats worden gezien als een bedreiging voor de openbare orde?
En welke boodschap geven we als sommige politici al die jongeren die zich inzetten voor hun toekomst en voor de kwaliteit van het onderwijs dat ze krijgen, blijkbaar wegzetten als potentiële delinquenten die moeten worden heropgevoed en op bootcamp gestuurd?
Achter de gebeurtenissen van 4 juni tekent zich een zorgwekkende trend af: die van de macht die steeds minder gehoor geeft aan de signalen vanuit de samenleving.
Al maandenlang volgen de protestacties elkaar op.
In het hele land komen werknemers, jongeren, gepensioneerden, verenigingen en burgers de straat op voor hun pensioenen, hun koopkracht, de openbare diensten en de sociale zekerheid.
En om de rechtsstaat te verdedigen.
Maar meer nog dan de betogingen, roept het gebrek aan aandacht voor de signalen die van alle kanten komen dringende vragen op.
Organisaties op het terrein luiden de alarmklok. Hele sectoren komen in actie. De Raad van State, het Rekenhof en officiële adviesorganen brengen vaak uiterst kritische adviezen uit.
Desondanks wordt de dwingelandij almaar opgevoerd.
Alsof het sociaal overleg, de expertise en de signalen van het terrein van geen tel zijn tegenover de vastberadenheid om een blind besparingsprogramma tot elke prijs op te leggen.
Tegelijkertijd worden vakbonden, ziekenfondsen en openbare media in diskrediet gebracht en aangevallen. Het maatschappelijk middenveld wordt simpelweg genegeerd.
Kortom, de tegenmachten worden niet langer als gesprekspartners gezien, maar als obstakels in de stroomversnelling richting bezuinigingen en afbraak van rechten.
Als 5.000, 10.000, 100.000 of 150.000 mensen betogen zonder gehoord te worden, als de adviezen van de actoren op het terrein en de officiële instanties in de wind worden geslagen en overlegkanalen worden omzeild, wat blijft er dan nog over van de democratische dialoog?
Op 4 juni vroegen de aanwezige jongeren niet om privileges.
Ze vroegen om investeringen in hun toekomst, in plaats van bezuinigingen.
Ze vroegen om middelen om te leren, zich te ontwikkelen en aan hun toekomst te bouwen.
Maar eigenlijk was hun eis dezelfde als die duizenden werknemers, burgers, verenigingen en actoren van het terrein al maandenlang formuleren: gehoord worden.
Gehoord worden voordat er beslissingen worden genomen.
Gehoord worden voordat hervormingen worden opgelegd.
Als de reactie van de politiek enkel bestaat uit minachting, machtsvertoon en karikaturale reacties… dan kun je je terecht afvragen of sommige beleidsverantwoordelijken de boodschap willen begrijpen.
Regeren betekent niet bezorgdheid negeren of onderdrukken.
Het betekent dat je ernaar luistert. En ze beantwoordt.
Er waren donderdag vernielingen in Brussel. Bushokjes sneuvelden. Projectielen vlogen door de lucht. Hulpdiensten werden belaagd. Natuurlijk moet dat benoemd worden. Natuurlijk moet daartegen opgetreden worden.
Niemand, geen enkele vakbond, leerkracht of ouder verdedigt geweld of vernieling. Het is onaanvaardbaar.
Wat vooral bleef hangen, waren de grote woorden van verschillende politici. “Crapuul.” “Bootcamps.” “Opvoeding.” “Manieren leren.”
Kunnen we ook even kijken naar wat deze jongeren al maanden duidelijk proberen te maken? Hun toekomst wordt duurder gemaakt, hun inschrijvingsgeld stijgt tot boven de duizend euro. Hun scholen kreunen onder personeelstekorten, hun lessen vallen uit, hun leerkrachten moeten meer werken voor hetzelfde loon.
Hun toekomst wordt stilaan een factuur.
Toch ging het amper nog over die inhoud.
Het debat werd opnieuw herleid tot orde, discipline en straf. Elke sociale woede wordt vandaag meteen behandeld als een veiligheidsprobleem. Elke vorm van protest lijkt verdacht zodra jongeren hun stem verheffen.
Bootcamps dus. Interessant woord. Wie bepaalt eigenlijk wie daarnaartoe moet? Geldt dat alleen voor jongeren die stenen gooien? Of ook voor politici die hele groepen mensen wegzetten met woorden die vooral olie op het vuur gooien?
Bestaan er ook bootcamps voor publieke vernedering? Voor politieke hysterie?
Daar wringt het. Een samenleving die permanent spreekt over “orde herstellen”, “hard optreden”, “respect afdwingen” en “streng zijn”, raakt langzaam verslaafd aan spierballentaal. Elke nuance verdwijnt. Elke context verdwijnt. Elke sociale oorzaak verdwijnt.
Plots lijken vijftienjarigen de grote vijand van deze samenleving. Kinderen dus. Kinderen die volgens sommigen te weinig respect hebben voor gezag. Kinderen die al jaren horen dat hun toekomst goedkoper moet worden bestuurd. Kinderen die zagen hoe hun onderwijs werd uitgehold, terwijl ze te horen krijgen dat ze vooral dankbaar moeten blijven.
Wat we donderdag zagen, was trouwens méér dan vernielingen alleen. We zagen ook beelden van jongeren die weinig of niets verkeerd deden, van jongeren die vooral kwaad waren, omdat niemand nog lijkt te luisteren. Van jongeren die panikeerden onder waterkanonnen en traangas.
De grootste cynici proberen ondertussen leerkrachten verantwoordelijk te maken voor de woede van hun leerlingen. Leerkrachten zouden jongeren “opruien”.
Mensen die elke dag proberen kinderen kansen te geven, worden plots weggezet als onruststokers, omdat ze weigeren zwijgend toe te kijken hoe hun beroep wordt afgebroken.
Misschien nog het meest hallucinante van alles. Jongeren die op straat komen voor hun toekomst worden gereduceerd tot “crapuul”. Sociale woede wordt behandeld als iets dat discipline kan genezen.
Nogmaals: niemand mag geweld en vernieling goedpraten. Maar kunnen politici die vooral stoer proberen te klinken, zich ook afvragen waarom zo veel jongeren zo kwaad zijn geworden? Misschien omdat ze voelen wat velen al langer voelen.
Deze regeringen besparen op alles wat mensen vooruithelpt. Onderwijs. Zorg. Openbaar vervoer. Sociale bescherming. Alles moet goedkoper. Alles moet efficiënter. Alles moet harder.
Tot ook jongeren beginnen te begrijpen dat men hun toekomst aan het afbreken is, terwijl ze les krijgen over normen en waarden.
Gedeeltelijke indexsprong: de Arizona-regering organiseert een levenslang verlies aan koopkracht
De Arizona-regering heeft opnieuw een rode lijn overschreden door een gedeeltelijke indexsprong goed te keuren, ondanks het unanieme verzet van de vakbonden, de sociale partners en tal van experts. Deze beslissing vormt een rechtstreekse aanval op de koopkracht van werknemers en uitkeringsgerechtigden en ondermijnt een van de pijlers van ons sociaal model: de automatische indexering van lonen en sociale uitkeringen.
Concreet zal het door de regering ingevoerde systeem de indexering plafonneren vanaf een bruto maandloon van 4.000 euro. In tegenstelling tot wat sommigen proberen te doen geloven, gaat het hier niet om een kleine groep hoge inkomens. Dit bedrag komt overeen met het mediaanloon in België. Voor deeltijdse werknemers wordt deze grens zelfs veel sneller bereikt.
De gevolgen zullen zwaar en langdurig zijn. In tegenstelling tot een eenmalig verlies zal deze indexsprong gedurende de hele loopbaan doorwerken. Elke toekomstige indexering zal worden berekend op een verlaagde basis. Het resultaat: duizenden euro’s aan verloren inkomen over de jaren heen. Iemand die vandaag 4.500 euro bruto verdient en nog veertig jaar moet werken, kan in totaal meer dan 17.000 euro verliezen.
Er bestond een alternatief
Wat deze beslissing nog onbegrijpelijker maakt, is dat er wel degelijk een geloofwaardig en evenwichtig alternatief bestond.
Vakbonden en werkgeversorganisaties waren tot een akkoord gekomen over een hervorming van de manier waarop energieprijzen in de index worden opgenomen. Deze oplossing zou de werkelijke uitgaven van gezinnen beter weerspiegelen en tegelijk de koopkracht van werknemers beschermen.
De gezondheidsindex bepaalt ook de indexering van de lonen in de openbare sector en van de sociale uitkeringen. Dit alternatief zou tegen 2030 zelfs licht voordeliger zijn. In zijn voorstel vroeg de Groep van Tien de regering dan ook om de gedeeltelijke indexsprong voor ambtenaren en sociale uitkeringsgerechtigden te schrappen. Het akkoord tussen de sociale partners biedt immers een antwoord op de indexering in de privésector, maar het is aan de regering om deze logica uit te breiden naar alle betrokken inkomens, zodat een gelijkwaardige bescherming van de koopkracht wordt gegarandeerd.
Volgens de ramingen van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven zou dit alternatief de overheidsfinanciën zelfs meer hebben opgebracht dankzij bijkomende fiscale inkomsten en sociale bijdragen. Met andere woorden: het was mogelijk om de koopkracht te beschermen én tegelijk de inkomsten van de overheid te verhogen.
Toch heeft de regering ervoor gekozen dit alternatief naast zich neer te leggen.
Een aanval op het sociaal overleg
Naast de economische impact getuigt deze maatregel ook van een ongeziene minachting voor het sociaal overleg.
De indexering van lonen is niet wettelijk vastgelegd, maar vloeit voort uit collectieve arbeidsovereenkomsten die tussen de sociale partners worden onderhandeld. Door rechtstreeks in te grijpen in de indexeringsmechanismen mengt de regering zich in de collectieve onderhandelingen en ondergraaft zij de autonomie ervan.
Deze beslissing zal sectoren en ondernemingen verplichten hun loonbarema’s opnieuw te onderhandelen, wat leidt tot een periode van onzekerheid en complexiteit waarvan werknemers de gevolgen zullen dragen.
Belangrijke juridische vragen
Het ABVV onderzoekt momenteel mogelijke juridische stappen.
Tal van vragen blijven onbeantwoord. Waarom werd de grens op 4.000 euro vastgelegd? Waarom worden deeltijdse werknemers sneller getroffen? Wat zullen de gevolgen zijn voor anciënniteitsgebonden loonbarema’s? Hoe kan worden verantwoord dat twee werknemers binnen dezelfde onderneming verschillend worden behandeld op het vlak van indexering?
Ook moet zorgvuldig worden onderzocht of deze maatregel verenigbaar is met de vrijheid van collectief onderhandelen, die onder meer wordt gewaarborgd door het Europees Sociaal Handvest en de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO).
Opnieuw betalen werknemers de rekening
Opnieuw laat de Arizona-regering werknemers opdraaien voor haar politieke keuzes.
Terwijl er een rechtvaardiger, efficiënter en budgettair gunstiger alternatief bestond, heeft zij ervoor gekozen de koopkracht van honderdduizenden werknemers aan te vallen.
Voor ABVV-Brussel is deze beslissing een ernstige sociale, economische en democratische vergissing. Wij zullen ons blijven mobiliseren om de automatische indexering, de lonen en de koopkracht van iedereen te verdedigen.
Werkloosheid is geen ‘Win For Life’, maar is elke dag strijden om je waardigheid te behouden.
Een opiniestuk van Florence Lepoivre, Algemeen secretaris ABVV-Brussel
Vanmorgen stond ik aan van onze werkloosheidsdiensten om onze leden te ontmoeten. En opnieuw besefte ik hoezeer de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd, dé maatregel van de regering-De Wever, een brute, onrechtvaardige, ongelijke, asociale en gewoon ondraaglijke hervorming is.
Een hervorming die veel Brusselaars in een hachelijke situatie stort.
Een hervorming die de federale sociale zekerheid ontmantelt.
Een hervorming die de solidariteit ondermijnt die we sinds het einde van de 19e eeuw voor alle werknemers hebben opgebouwd, dankzij een felle strijd.
Vanmorgen kwam ik tientallen werkzoekenden tegen.
Iedereen maakt zich zorgen. Velen weten niet meer waar ze terecht kunnen.
Sommigen zijn boos. De meesten zijn verbijsterd, begrijpen het niet en praten met tranen in hun ogen over hun situatie.
Ik ontmoette een vader van drie kinderen die vecht om een baan te vinden, maar daar niet in slaagt. Of in ieder geval geen baan die stabiel genoeg is om zijn gezin een fatsoenlijk inkomen te bieden en hen het welzijn te geven dat ze verdienen.
Ik ontmoette een jongeman van Italiaanse afkomst, die sinds zijn aankomst in België het ene na het andere uitzendcontract aaneen heeft geregen. Hij heeft zijn geboortegrond Sicilië verlaten omdat hij geen hoop had er een job te vinden. En ondanks al zijn inspanningen, ondanks zijn harde werk, ondanks alle jobs die hij heeft gehad, wordt hij uitgesloten van de werkloosheid.
Ik heb ook gesproken met een vrouw van Congolese afkomst, die wordt gediscrimineerd op de arbeidsmarkt en niet meer weet wat ze moet doen om een baan te vinden.
Er was ook een vrouw die me opgelucht vertelde: “Ik ben sinds 1 februari met pensioen. Gelukkig maar.”
Ik heb gesproken met een PWA-werknemer, die ondanks alles zal blijven werken voor een Europese school, ook al verliest hij zijn werkloosheidsuitkering en loopt hij het risico niet zijn volledige leefloon te ontvangen. Omdat hij moet werken. Voor zichzelf. Om zijn waardigheid te behouden. Maar hij weet niet hoe hij het zonder inkomen moet redden in juli en augustus, wanneer de school gesloten is. En hij begrijpt niet waarom deze school hem geen echt contract kan aanbieden.
Ik ontmoette een jonge vrouw die in de human resources werkte en werknemers moest ontslaan om ze te vervangen door studenten of flexijobbers, die goedkoper waren voor de werkgever. Dit stond haar zo tegen dat ze ontslag nam. Ze wil geloven dat ze een baan zal vinden die zinvol is en die aansluit bij haar waarden.
Ik ontmoette een man van iets boven de 60. Meer dan 27 jaar gewerkt. Avonden, nachten, soms weekends, in een zwaar beroep. Hij heeft rugpijn, maar niet genoeg om als arbeidsongeschikt te worden erkend. Hij heeft niet genoeg gewerkt om zijn werkloosheidsuitkering te behouden. Ondanks zijn leeftijd. Ondanks zijn 27 jaar aan bijdragen die hij betaalde met zijn gewerkte uren, overuren en weekenduren.
Er was een jonge vrouw met twee kleine kinderen van 8 maanden en 2,5 jaar oud. Ze moest haar man en haar huis ontvluchten en alles achterlaten, met haar twee kinderen onder haar arm, nadat haar oudste kind seksueel misbruikt was… op 2,5-jarige leeftijd! Ze moet haar zaken regelen met advocaten, rechters en sociale diensten. Ze moest stoppen met werken. Binnenkort verliest ze haar uitkering, haar enige bron van inkomsten. Ze schaamt zich om naar het OCMW te stappen om te vragen waar ze nochtans recht op heeft, wat jij en ik, wat de samenleving haar verschuldigd is.
Dit zijn slechts enkele gezichten die ik vanmorgen ben tegengekomen.
Gezichten die mij voor altijd zullen bijblijven.
Ook al heb je hen niet ontmoet, ik hoop dat je met deze woorden een gezicht en een verhaal kan plakken op de 42.000 werkzoekenden in Brussel – en de 180.000 werklozen in België – die geen recht meer hebben op een uitkering.
Achter deze cijfers gaan levens schuil. Gezinnen. Levensverhalen. Dagelijkse strijd.
En tegenover hen staat een federale regering die stigmatiseert, karikaturen schetst en mensen op brute wijze uitsluit. Zonder na te denken. Zonder nuance. Zonder ook maar een kans te geven aan zij die elke dag vechten om een stabiele, duurzame en waardige job te vinden.
Armoede – Een lege rekening is geen beleid
Een opiniestuk van BertEngelaar, voorzitter van het ABVV.
Aan de loketten van de dienstverlenings-kantoren, aan de telefoon, in infosessies … hoorden onze medewerkers de voorbije weken talloze getuigenissen. Geen grote theorieën, wel korte zinnen die blijven hangen.
Mensen die niet afhaken, maar vastlopen. Leden die solliciteren, opleidingen zoeken, afspraken maken, kinderen opvoeden, mantelzorg opnemen, hier en daar een schamel minicontractje binnenhalen en toch wakker worden met één vraag die alles overneemt: staat het geld er al op?
Die vraag kwam het voorbije weekend voor velen aan als een klap in het gezicht. Bankapp open. Refresh. Niets. Geen vertraging die je rustig kunt uitzitten, maar een onmiddellijke kettingreactie: huur, energie, voeding, schoolkosten, kinderopvang. Wie niet kan betalen, verliest keuzevrijheid. Wie keuzevrijheid verliest, verliest ook waardigheid. Dat is geen pech. Dat is beleid dat de grens tussen administratie en overleven dun maakt.
Motivatietechniek
Aan de loketten horen we hoe die dunne grens mensen naar binnen duwt. Eerst komt de schaamte: “Het zal wel mijn fout zijn.” Dan de angst voor de post: brieven die blijven liggen omdat woorden als “geschorst”, “uitgesloten” of “terugvordering” te zwaar wegen.
Daarna volgt de tocht langs loketten en telefoonnummers: opnieuw uitleggen, bewijzen, wachten. Een dossier wordt zwaarder dan een mens. De stress kruipt in de slaapkamer, in de maag, in het hoofd. Wie in overlevingsmodus zit, denkt niet in jaren maar in dagen: hoe komt er morgen eten op tafel?
Toch wordt in het publieke debat vaak beweerd dat lagere uitkeringen mensen vanzelf naar werk duwen. Armoede als bedreigende motivatietechniek: het klinkt stoer, het werkt niet. Onzekerheid is geen begeleiding. Wie constant brandjes blust, kan moeilijk investeren in een toekomst. Dat is niet alleen moreel problematisch, het is ook economisch kortzichtig.
Nieuw onderzoek van KU Leuven, UC Louvain en het Steunpunt tot bestrijding van armoede, op basis van langetermijndata bij tienduizenden mensen, wijst net in de andere richting: hogere uitkeringen boven de armoedegrens helpen mensen sneller terug naar werk, omdat ze opnieuw kunnen investeren in zichzelf. Bijscholen, vervoer betalen, een auto delen, een abonnement nemen, een laptop herstellen, kinderopvang regelen, eindelijk medische of psychologische zorg opnemen die al maanden wordt uitgesteld. Stabiliteit is geen hangmat. Stabiliteit is een springplank.
De verhalen aan de loketten maken die conclusie tastbaar. Leden vertellen hoe een te laag inkomen kleine problemen groot maakt. Wie geen geld heeft voor een treinabonnement, raakt niet op gesprek. Wie de tandarts uitstelt, sleept pijn mee naar elke sollicitatie. Wie geen rustige plek heeft om te slapen, faalt op de dag dat er wél een kans komt. Sommigen doen vrijwilligerswerk, zorgen voor buren, bouwen een netwerk uit, maar worden in het beleid gereduceerd tot “inactief”.
Dat label helpt niemand vooruit.
Daarbovenop dreigt een nieuwe schok: tienduizenden mensen riskeren de komende jaren hun uitkering te verliezen omdat ze langer dan twee jaar werkloos zijn.
Op papier heet dat “activering”. In de praktijk duwt het mensen richting bijstand en dieper richting armoede, precies wanneer ze ondersteuning nodig hebben om opnieuw aan te knopen met werk.
Wie de bodem wegneemt, krijgt geen sprong, maar een val.
De regering wil langdurige werkloosheid aanpakken. Prima. Alleen werkt snijden in uitkeringen niet als route naar werk. Het creëert vooral armoede, stress en gezondheidsproblemen en verschuift mensen van de ene regeling naar de andere. Bovendien wordt een groep die al kwetsbaar is nog kwetsbaarder gemaakt, precies op het moment dat er initiatief nodig is: solliciteren, zich verplaatsen, leren, netwerken. Dat lukt niet met een lege rekening.
Minimumuitkeringen
Wat wél werkt, ligt al jaren op tafel: trek minimumuitkeringen op tot minstens de Europese armoededrempel (rond 1.500 euro voor een alleenstaande, zoals de onderzoekers bepleiten). Combineer dat met echte begeleiding: een snelle intake, intensieve opvolging, haalbare trajecten, opleidingen die leiden naar jobs, betaalbaar vervoer en mentale zorg zonder drempels. Geef mensen tijd en ruimte om opnieuw greep te krijgen op hun leven, zodat werk weer haalbaar wordt.
Ik herhaal mijn oproep om alle ministers die zich bezighouden met tewerkstellingsbeleid rond de tafel te zetten, samen met de sociale partners. Samen kunnen we van de “passende dienstbetrekking” geen slogan maken, maar een echte realiteit. Tijd voor beleid dat mensen boven water houdt in plaats van naar beneden duwt, kopje-onder.
Het einde van het spoor als openbare dienst wordt voorbereid op basis van ideologische dogma’s
Een opiniestuk van Bert Engelaar, voorzitter van het ABVV, en Tony Fonteyne, voorzitter van ACOD-VLIG Spoor.
Wat in het Verenigd Koninkrijk uitliep op de Grote Treinroof dreigt nu ook in België. Bert Engelaar, voorzitter van het ABVV, en Tony Fonteyne, voorzitter van ACOD-VLIG Spoor, waarschuwen dat de geplande hervormingen van het spoor de openbare dienst uithollen, het personeel onder druk zetten en de klimaatambities ondergraven.
De film The Navigators van Ken Loach uit 2002 volgt vijf spoorarbeiders na de liberalisering en privatisering van de spoorwegen in het Verenigd Koninkrijk. De vijf moeten opnieuw solliciteren voor hun eigen job, maar dan bij een onderaannemer en tegen slechtere voorwaarden. Fictie in België? Niet als het van de Arizona-regering afhangt. Spoorpersoneel, reizigers en klimaatactivisten voeren de komende dagen dan ook strijd voor betere arbeidsvoorwaarden en meer spoorpersoneel, voor een hoger en kwalitatief treinaanbod, zodat de ‘modal shift’ op de rails geraakt.
Malaise
De regering wil niet alleen vanaf juni de statutaire aanwerving bij de spoorwegen afschaffen. Ze wil ook het principe van ‘economische overmacht’ invoeren. Dat betekent dat de NMBS, als ze na de liberalisering activiteiten zou verliezen, spoorwerknemers zou kunnen ontslaan.
Het is duidelijk: voor onze spoorwegwerknemers rijdt de trein alleen achteruit. Een externe welzijnsenquête heeft het over “te hoge werkdruk, te veel risico op burn-out, uitputting en uitval, te veel hinder van het werk op het privéleven, te veel externe en interne agressie, te weinig sociale steun”.
De cijfers zijn sprekend. Het aantal werknemers bij de Belgische spoorwegen (NMBS, Infrabel, HR Rail) daalde van 35.898 in 2013 naar 27.569 in 2024. Bovendien wil de regering nog 675 miljoen euro besparen bij de spoorwegen. Wie heeft daar baat bij? De reizigers? Neen, toch!
Einde openbare dienst
Deze strijd gaat over de toekomst van ons spoor. Het wetsvoorstel en de afbouw van het statuut bij de spoorwegen zijn doordrongen van “de noodzaak tot liberalisering” na 2032. Het einde van het spoor als openbare dienst wordt voorbereid op basis van ideologische dogma’s.
Nochtans hebben we al gezien waar dat toe leidt in het Verenigd Koninkrijk. Vriend en vijand zijn het erover eens dat de liberalisering, doorgevoerd sinds het midden van de jaren 90, er volledig mislukt is. Een rapport uit 2013 noemt het The Great Train Robbery of ‘De Grote Treinroof’: “Twintig jaar later hebben de geprivatiseerde spoorwegen elk jaar miljarden subsidies nodig van de belastingbetaler, en hebben ze gefaald in het verzekeren van voldoende private investeringen in de rails of treinen.”
Een wetenschappelijk artikel uit 2017 besluit dat de gedachte dat privatisering tot meer efficiëntie zou leiden “een illusie” is gebleken, dat het geleid heeft tot aanzienlijke extra kosten, en dat het een “zeer foute beleidskeuze” was. En de reiziger? De prijzen voor een treinrit behoren in het VK volgens vergelijkende onderzoeken tot de hoogste van Europa, veelhoger dan bijvoorbeeld in België of Duitsland.
Het hoeft dan ook niet te verbazen dat ongeveer drie vierde van de Britten voorstander is van een hernationalisering van de spoorwegen. Al onder de vorige conservatieve regeringen werd beslist om bepaalde spoorlijnen opnieuw in publieke handen te nemen. De huidige Labour-regering zou tegen 2027 min of meer het volledige spoor opnieuw genationaliseerd hebben.
Gebrek aan visie
Dit is nog zorgwekkender in de context van de klimaattransitie. De vorige regering ontwikkelde een ‘Spoorvisie 2040’ om het aandeel van de trein in de mobiliteit van 8 naar 15 procent te brengen tegen 2040. Een ambitieuze doelstelling, waarvoor een serieuze uitbreiding van het aanbod nodig is. Eind 2024 besliste de NMBS evenwel al om het aanbod trager te laten groeien dan eerder gepland. Eén van de redenen? Te weinig nieuwe treinbestuurders en treinbegeleiders.
De stakingen van het spoorpersoneel zijn ook een strijd voor ons allen: reizigers, belastingbetalers, burgers.
Ook een studie van de Dienst Klimaatverandering is duidelijk. Het aantal jobs in de sector van het openbaar vervoer, waaronder de treinbestuurders, zal de komende decennia sterk moeten groeien. Aangezien de NMBS vooral inzet op groei in de weekends en ’s avonds, betekent dat ook meer onregelmatig werk. Als je dan de arbeidsvoorwaarden terugdringt, waar ga je dan nog de nodige werknemers vinden? De conclusie van de studie is helder: “Structurele inspanningen moeten geleverd worden om de arbeidsvoorwaarden te verbeteren” bij het openbaar vervoer.
Dwarsliggers
Dat spoort dus niet met de nadruk van de Belgische spoorwegen op minder personeel en productiviteitsverhoging, met de afbouw door de regering van het statuut. Het ene wagonnetje haakt vast aan het andere: mindere arbeidsvoorwaarden betekenen een nog moeilijkere zoektocht naar spoorpersoneel, waardoor een hoger en kwalitatief treinaanbod uitgesloten is, wat betekent dat de modal shift en verduurzaming van de transportsector niet op de rails raken. Wie betaalt de prijs? Wij allemaal, met meer vervuiling en meer files.
In die zin zijn de stakingen van het spoorpersoneel ook een strijd voor ons allen: reizigers, belastingbetalers, burgers.
Flexi-jobs zijn geen hefboom, maar een systeem dat vaste jobs doelbewust ondergraaft
Frank Moreels is voorzitter van de Belgische TransportBond BTB-ABVV. Hij schrijft een open brief aan Bart Buysse, de gedelegeerd bestuurder van ondernemersorganisatie Unizo. Deze open brief werd gepubliceerd in De Morgen.
Mijnheer Buysse,
U schrijft, als gedelegeerd bestuurder van ondernemersorganisatie Unizo, dat flexi-jobs geen molensteen zijn, maar een hefboom voor onze arbeidsmarkt. Vanuit de ivoren toren van macrostatistieken klinkt dat misschien geruststellend. Vanuit sectoren waar arbeid vandaag al onder zware druk staat, klinkt het vooral wereldvreemd. In de bus- en autocarsector zien wij zeer concreet wat flexi-jobs doen zodra ze niet langer een uitzondering zijn, maar een structureel instrument worden.
Falende loonpolitiek
Steeds meer werknemers geven aan dat zij met een voltijdse job moeilijk rondkomen. Uw antwoord daarop is: laat hen bijverdienen via flexi-jobs. Dat is geen modern arbeidsmarktbeleid, dat is een erkenning dat het loonbeleid faalt. Een voltijdse job moet volstaan om van te leven. Punt. Wie werknemers richting flexi-jobs duwt, zegt in feite: werk maar meer, aan gunsttarieven, omdat we weigeren lonen structureel op te trekken.
U beweert dat flexi-jobs geen vaste banen verdringen. In de bus- en autocarsector is dat niet alleen theoretisch onjuist, het is economisch naïef. Vandaag bestaat de sector al uit een hoog aandeel deeltijdse contracten, moeilijk combineerbare uurroosters en een structureel personeelstekort dat rechtstreeks verband houdt met loon- en contractonzekerheid.
In die context voert de regering een systeem in waarbij arbeid structureel goedkoper wordt. Een voltijdse chauffeur kost, afhankelijk van de subsector, 195 tot 255 euro per dag. Een flexi-jobber kost minder, bouwt geen rechten op en kan zonder verdere verplichtingen worden ingezet of geschrapt. Wie gelooft dat werkgevers in die context niet gaan opsplitsen, vervangen en herorganiseren, gelooft ook dat water niet stroomt waar het naar beneden kan.
Versnipperde loopbanen
U lacht het idee weg dat werknemers hun arbeidsregime zouden aanpassen. In de bus- en autocarsector is dat geen karikatuur, maar een harde realiteit als logische uitkomst van de regelgeving. Er is momenteel nog een cumulverbod binnen één bedrijf, maar geen cumulverbod binnen de sector. Het resultaat ligt voor de hand: 4/5-contracten worden de norm, aangevuld met flexi-jobs bij andere ondernemingen en binnenkort binnen dezelfde ondernemingsgroep. Voltijdse contracten verdwijnen, loopbanen worden versnipperd en sociale rechten verdampen. Dat is geen vrije keuze van werknemers. Dat is gedwongen flexibiliteit, ingegeven door lagere lonen en hogere werkdruk.
Kwaliteit en veiligheid
In de autocarsector wordt het perfect mogelijk om ervaren chauffeurs te vervangen door gelegenheidschauffeurs van buiten de sector.
Een leerkracht L.O. met het juiste rijbewijs kan morgen als flexi-jobber een bus besturen richting zwembad, skireis of buitenlandse schoolreis. Dat is geen randfenomeen. Dat is een structurele uitholling van vakmanschap, van betrokkenheid bij het bedrijf en van verantwoordelijkheid. Personenvervoer is geen bijberoep. Het gaat over veiligheid, verantwoordelijkheid en vertrouwen.
U schermt met cijfers over het totale arbeidsvolume. Dat is handig, maar misleidend. In sectoren zoals deze van de bus en autocar telt geen nationaal gemiddelde, maar wel de sectorale impact. De wet voorziet geen enkele procentuele beperking van flexi-jobs, geen relatie met de bestaande tewerkstelling, geen rem op vervanging. Een busbedrijf kan dus perfect beslissen om structureel of zelfs uitsluitend met flexi-jobbers te werken.
Dat is geen aanvulling op de arbeidsmarkt. Dat is een alternatief arbeidsmodel, gebaseerd op lagere kosten en minder rechten. Flexi-jobs werden ingevoerd als tijdelijke noodoplossing in de horeca. Het resultaat kennen we: vaste jobs verdwenen, flexibiliteit werd structureel en sociale bescherming uitgehold. Wie vandaag beweert dat dit in andere sectoren niet zal gebeuren, weigert te leren uit het verleden.
U noemt flexi-jobs een hefboom. Voor werkgevers klopt dat. Voor werknemers en voor onze sociale zekerheid zijn ze vooral een hefboom naar beneden. Een sterke arbeidsmarkt bouw je niet op uitzonderingen, maar op vaste jobs, leefbare lonen en sociaal overleg. Flexi-jobs doen precies het tegenovergestelde.