Werkloosheid is geen ‘Win For Life’, maar is elke dag strijden om je waardigheid te behouden.

Een opiniestuk van Florence Lepoivre, Algemeen secretaris ABVV-Brussel

Vanmorgen stond ik aan van onze werkloosheidsdiensten om onze leden te ontmoeten. En opnieuw besefte ik hoezeer de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd, dé maatregel van de regering-De Wever, een brute, onrechtvaardige, ongelijke, asociale en gewoon ondraaglijke hervorming is.

Een hervorming die veel Brusselaars in een hachelijke situatie stort.

Een hervorming die de federale sociale zekerheid ontmantelt.

Een hervorming die de solidariteit ondermijnt die we sinds het einde van de 19e eeuw voor alle werknemers hebben opgebouwd, dankzij een felle strijd.

Vanmorgen kwam ik tientallen werkzoekenden tegen.

Iedereen maakt zich zorgen. Velen weten niet meer waar ze terecht kunnen.

Sommigen zijn boos. De meesten zijn verbijsterd, begrijpen het niet en praten met tranen in hun ogen over hun situatie.

Ik ontmoette een vader van drie kinderen die vecht om een baan te vinden, maar daar niet in slaagt. Of in ieder geval geen baan die stabiel genoeg is om zijn gezin een fatsoenlijk inkomen te bieden en hen het welzijn te geven dat ze verdienen.

Ik ontmoette een jongeman van Italiaanse afkomst, die sinds zijn aankomst in België het ene na het andere uitzendcontract aaneen heeft geregen. Hij heeft zijn geboortegrond Sicilië verlaten omdat hij geen hoop had er een job te vinden. En ondanks al zijn inspanningen, ondanks zijn harde werk, ondanks alle jobs die hij heeft gehad, wordt hij uitgesloten van de werkloosheid.

Ik heb ook gesproken met een vrouw van Congolese afkomst, die wordt gediscrimineerd op de arbeidsmarkt en niet meer weet wat ze moet doen om een baan te vinden.

Er was ook een vrouw die me opgelucht vertelde: “Ik ben sinds 1 februari met pensioen. Gelukkig maar.”

Ik heb gesproken met een PWA-werknemer, die ondanks alles zal blijven werken voor een Europese school, ook al verliest hij zijn werkloosheidsuitkering en loopt hij het risico niet zijn volledige leefloon te ontvangen. Omdat hij moet werken. Voor zichzelf. Om zijn waardigheid te behouden. Maar hij weet niet hoe hij het zonder inkomen moet redden in juli en augustus, wanneer de school gesloten is. En hij begrijpt niet waarom deze school hem geen echt contract kan aanbieden.

Ik ontmoette een jonge vrouw die in de human resources werkte en werknemers moest ontslaan om ze te vervangen door studenten of flexijobbers, die goedkoper waren voor de werkgever. Dit stond haar zo tegen dat ze ontslag nam. Ze wil geloven dat ze een baan zal vinden die zinvol is en die aansluit bij haar waarden.

Ik ontmoette een man van iets boven de 60. Meer dan 27 jaar gewerkt. Avonden, nachten, soms weekends, in een zwaar beroep. Hij heeft rugpijn, maar niet genoeg om als arbeidsongeschikt te worden erkend. Hij heeft niet genoeg gewerkt om zijn werkloosheidsuitkering te behouden. Ondanks zijn leeftijd. Ondanks zijn 27 jaar aan bijdragen die hij betaalde met zijn gewerkte uren, overuren en weekenduren.

Er was een jonge vrouw met twee kleine kinderen van 8 maanden en 2,5 jaar oud. Ze moest haar man en haar huis ontvluchten en alles achterlaten, met haar twee kinderen onder haar arm, nadat haar oudste kind seksueel misbruikt was… op 2,5-jarige leeftijd! Ze moet haar zaken regelen met advocaten, rechters en sociale diensten. Ze moest stoppen met werken. Binnenkort verliest ze haar uitkering, haar enige bron van inkomsten. Ze schaamt zich om naar het OCMW te stappen om te vragen waar ze nochtans recht op heeft, wat jij en ik, wat de samenleving haar verschuldigd is.

Dit zijn slechts enkele gezichten die ik vanmorgen ben tegengekomen.

Gezichten die mij voor altijd zullen bijblijven.

Ook al heb je hen niet ontmoet, ik hoop dat je met deze woorden een gezicht en een verhaal kan plakken op de 42.000 werkzoekenden in Brussel – en de 180.000 werklozen in België – die geen recht meer hebben op een uitkering.

Achter deze cijfers gaan levens schuil. Gezinnen. Levensverhalen. Dagelijkse strijd.

En tegenover hen staat een federale regering die stigmatiseert, karikaturen schetst en mensen op brute wijze uitsluit. Zonder na te denken. Zonder nuance. Zonder ook maar een kans te geven aan zij die elke dag vechten om een stabiele, duurzame en waardige job te vinden.

Armoede – Een lege rekening is geen beleid

Een opiniestuk van BertEngelaar, voorzitter van het ABVV.

Aan de loketten van de dienstverlenings-kantoren, aan de telefoon, in infosessies … hoorden onze medewerkers de voorbije weken talloze getuigenissen. Geen grote theorieën, wel korte zinnen die blijven hangen.

Mensen die niet afhaken, maar vastlopen. Leden die solliciteren, opleidingen zoeken, afspraken maken, kinderen opvoeden, mantelzorg opnemen, hier en daar een schamel minicontractje binnenhalen en toch wakker worden met één vraag die alles overneemt: staat het geld er al op?

Die vraag kwam het voorbije weekend voor velen aan als een klap in het gezicht. Bankapp open. Refresh. Niets. Geen vertraging die je rustig kunt uitzitten, maar een onmiddellijke kettingreactie: huur, energie, voeding, schoolkosten, kinderopvang. Wie niet kan betalen, verliest keuzevrijheid. Wie keuzevrijheid verliest, verliest ook waardigheid. Dat is geen pech. Dat is beleid dat de grens tussen administratie en overleven dun maakt.

Motivatietechniek

Aan de loketten horen we hoe die dunne grens mensen naar binnen duwt. Eerst komt de schaamte: “Het zal wel mijn fout zijn.” Dan de angst voor de post: brieven die blijven liggen omdat woorden als “geschorst”, “uitgesloten” of “terugvordering” te zwaar wegen.

Daarna volgt de tocht langs loketten en telefoonnummers: opnieuw uitleggen, bewijzen, wachten. Een dossier wordt zwaarder dan een mens. De stress kruipt in de slaapkamer, in de maag, in het hoofd. Wie in overlevingsmodus zit, denkt niet in jaren maar in dagen: hoe komt er morgen eten op tafel?

Toch wordt in het publieke debat vaak beweerd dat lagere uitkeringen mensen vanzelf naar werk duwen. Armoede als bedreigende motivatietechniek: het klinkt stoer, het werkt niet. Onzekerheid is geen begeleiding. Wie constant brandjes blust, kan moeilijk investeren in een toekomst. Dat is niet alleen moreel problematisch, het is ook economisch kortzichtig.

Nieuw onderzoek van KU Leuven, UC Louvain en het Steunpunt tot bestrijding van armoede, op basis van langetermijndata bij tienduizenden mensen, wijst net in de andere richting: hogere uitkeringen boven de armoedegrens helpen mensen sneller terug naar werk, omdat ze opnieuw kunnen investeren in zichzelf. Bijscholen, vervoer betalen, een auto delen, een abonnement nemen, een laptop herstellen, kinderopvang regelen, eindelijk medische of psychologische zorg opnemen die al maanden wordt uitgesteld. Stabiliteit is geen hangmat. Stabiliteit is een springplank.

De verhalen aan de loketten maken die conclusie tastbaar. Leden vertellen hoe een te laag inkomen kleine problemen groot maakt. Wie geen geld heeft voor een treinabonnement, raakt niet op gesprek. Wie de tandarts uitstelt, sleept pijn mee naar elke sollicitatie. Wie geen rustige plek heeft om te slapen, faalt op de dag dat er wél een kans komt. Sommigen doen vrijwilligerswerk, zorgen voor buren, bouwen een netwerk uit, maar worden in het beleid gereduceerd tot “inactief”.

Dat label helpt niemand vooruit.

Daarbovenop dreigt een nieuwe schok: tienduizenden mensen riskeren de komende jaren hun uitkering te verliezen omdat ze langer dan twee jaar werkloos zijn.

Op papier heet dat “activering”. In de praktijk duwt het mensen richting bijstand en dieper richting armoede, precies wanneer ze ondersteuning nodig hebben om opnieuw aan te knopen met werk.

Wie de bodem wegneemt, krijgt geen sprong, maar een val.

De regering wil langdurige werkloosheid aanpakken. Prima. Alleen werkt snijden in uitkeringen niet als route naar werk. Het creëert vooral armoede, stress en gezondheidsproblemen en verschuift mensen van de ene regeling naar de andere. Bovendien wordt een groep die al kwetsbaar is nog kwetsbaarder gemaakt, precies op het moment dat er initiatief nodig is: solliciteren, zich verplaatsen, leren, netwerken. Dat lukt niet met een lege rekening.

Minimumuitkeringen

Wat wél werkt, ligt al jaren op tafel: trek minimumuitkeringen op tot minstens de Europese armoededrempel (rond 1.500 euro voor een alleenstaande, zoals de onderzoekers bepleiten). Combineer dat met echte begeleiding: een snelle intake, intensieve opvolging, haalbare trajecten, opleidingen die leiden naar jobs, betaalbaar vervoer en mentale zorg zonder drempels. Geef mensen tijd en ruimte om opnieuw greep te krijgen op hun leven, zodat werk weer haalbaar wordt.

Ik herhaal mijn oproep om alle ministers die zich bezighouden met tewerkstellingsbeleid rond de tafel te zetten, samen met de sociale partners. Samen kunnen we van de “passende dienstbetrekking” geen slogan maken, maar een echte realiteit. Tijd voor beleid dat mensen boven water houdt in plaats van naar beneden duwt, kopje-onder.

Het einde van het spoor als openbare dienst wordt voorbereid op basis van ideologische dogma’s

Een opiniestuk van Bert Engelaar, voorzitter van het ABVV, en Tony Fonteyne, voorzitter van ACOD-VLIG Spoor.

Wat in het Verenigd Koninkrijk uitliep op de Grote Treinroof dreigt nu ook in België. Bert Engelaar, voorzitter van het ABVV, en Tony Fonteyne, voorzitter van ACOD-VLIG Spoor, waarschuwen dat de geplande hervormingen van het spoor de openbare dienst uithollen, het personeel onder druk zetten en de klimaatambities ondergraven.

De film The Navigators van Ken Loach uit 2002 volgt vijf spoorarbeiders na de liberalisering en privatisering van de spoorwegen in het Verenigd Koninkrijk. De vijf moeten opnieuw solliciteren voor hun eigen job, maar dan bij een onderaannemer en tegen slechtere voorwaarden. Fictie in België? Niet als het van de Arizona-regering afhangt. Spoorpersoneel, reizigers en klimaatactivisten voeren de komende dagen dan ook strijd voor betere arbeidsvoorwaarden en meer spoorpersoneel, voor een hoger en kwalitatief treinaanbod, zodat de ‘modal shift’ op de rails geraakt.

Malaise

De regering wil niet alleen vanaf juni de statutaire aanwerving bij de spoorwegen afschaffen. Ze wil ook het principe van ‘economische overmacht’ invoeren. Dat betekent dat de NMBS, als ze na de liberalisering activiteiten zou verliezen, spoorwerknemers zou kunnen ontslaan.

Het is duidelijk: voor onze spoorwegwerknemers rijdt de trein alleen achteruit. Een externe welzijnsenquête heeft het over “te hoge werkdruk, te veel risico op burn-out, uitputting en uitval, te veel hinder van het werk op het privéleven, te veel externe en interne agressie, te weinig sociale steun”.

De cijfers zijn sprekend. Het aantal werknemers bij de Belgische spoorwegen (NMBS, Infrabel, HR Rail) daalde van 35.898 in 2013 naar 27.569 in 2024. Bovendien wil de regering nog 675 miljoen euro besparen bij de spoorwegen. Wie heeft daar baat bij? De reizigers? Neen, toch!

Einde openbare dienst

Deze strijd gaat over de toekomst van ons spoor. Het wetsvoorstel en de afbouw van het statuut bij de spoorwegen zijn doordrongen van “de noodzaak tot liberalisering” na 2032. Het einde van het spoor als openbare dienst wordt voorbereid op basis van ideologische dogma’s.

Nochtans hebben we al gezien waar dat toe leidt in het Verenigd Koninkrijk. Vriend en vijand zijn het erover eens dat de liberalisering, doorgevoerd sinds het midden van de jaren 90, er volledig mislukt is. Een rapport uit 2013 noemt het The Great Train Robbery of ‘De Grote Treinroof’: “Twintig jaar later hebben de geprivatiseerde spoorwegen elk jaar miljarden subsidies nodig van de belastingbetaler, en hebben ze gefaald in het verzekeren van voldoende private investeringen in de rails of treinen.”

Een wetenschappelijk artikel uit 2017 besluit dat de gedachte dat privatisering tot meer efficiëntie zou leiden “een illusie” is gebleken, dat het geleid heeft tot aanzienlijke extra kosten, en dat het een “zeer foute beleidskeuze” was. En de reiziger? De prijzen voor een treinrit behoren in het VK volgens vergelijkende onderzoeken tot de hoogste van Europa, veel hoger dan bijvoorbeeld in België of Duitsland.

Het hoeft dan ook niet te verbazen dat ongeveer drie vierde van de Britten voorstander is van een hernationalisering van de spoorwegen. Al onder de vorige conservatieve regeringen werd beslist om bepaalde spoorlijnen opnieuw in publieke handen te nemen. De huidige Labour-regering zou tegen 2027 min of meer het volledige spoor opnieuw genationaliseerd hebben.

Gebrek aan visie

Dit is nog zorgwekkender in de context van de klimaattransitie. De vorige regering ontwikkelde een ‘Spoorvisie 2040’ om het aandeel van de trein in de mobiliteit van 8 naar 15 procent te brengen tegen 2040. Een ambitieuze doelstelling, waarvoor een serieuze uitbreiding van het aanbod nodig is. Eind 2024 besliste de NMBS evenwel al om het aanbod trager te laten groeien dan eerder gepland. Eén van de redenen? Te weinig nieuwe treinbestuurders en treinbegeleiders.

De stakingen van het spoorpersoneel zijn ook een strijd voor ons allen: reizigers, belastingbetalers, burgers.

Ook een studie van de Dienst Klimaatverandering is duidelijk. Het aantal jobs in de sector van het openbaar vervoer, waaronder de treinbestuurders, zal de komende decennia sterk moeten groeien. Aangezien de NMBS vooral inzet op groei in de weekends en ’s avonds, betekent dat ook meer onregelmatig werk. Als je dan de arbeidsvoorwaarden terugdringt, waar ga je dan nog de nodige werknemers vinden? De conclusie van de studie is helder: “Structurele inspanningen moeten geleverd worden om de arbeidsvoorwaarden te verbeteren” bij het openbaar vervoer.

Dwarsliggers

Dat spoort dus niet met de nadruk van de Belgische spoorwegen op minder personeel en productiviteitsverhoging, met de afbouw door de regering van het statuut. Het ene wagonnetje haakt vast aan het andere: mindere arbeidsvoorwaarden betekenen een nog moeilijkere zoektocht naar spoorpersoneel, waardoor een hoger en kwalitatief treinaanbod uitgesloten is, wat betekent dat de modal shift en verduurzaming van de transportsector niet op de rails raken. Wie betaalt de prijs? Wij allemaal, met meer vervuiling en meer files.

In die zin zijn de stakingen van het spoorpersoneel ook een strijd voor ons allen: reizigers, belastingbetalers, burgers.

Flexi-jobs zijn geen hefboom, maar een systeem dat vaste jobs doelbewust ondergraaft

Frank Moreels is voorzitter van de Belgische TransportBond BTB-ABVV. Hij schrijft een open brief aan Bart Buysse, de gedelegeerd bestuurder van ondernemersorganisatie Unizo. Deze open brief werd gepubliceerd in De Morgen.

Mijnheer Buysse,

U schrijft, als gedelegeerd bestuurder van ondernemersorganisatie Unizo, dat flexi-jobs geen molensteen zijn, maar een hefboom voor onze arbeidsmarkt. Vanuit de ivoren toren van macrostatistieken klinkt dat misschien geruststellend. Vanuit sectoren waar arbeid vandaag al onder zware druk staat, klinkt het vooral wereldvreemd. In de bus- en autocarsector zien wij zeer concreet wat flexi-jobs doen zodra ze niet langer een uitzondering zijn, maar een structureel instrument worden.

Falende loonpolitiek

Steeds meer werknemers geven aan dat zij met een voltijdse job moeilijk rondkomen. Uw antwoord daarop is: laat hen bijverdienen via flexi-jobs. Dat is geen modern arbeidsmarktbeleid, dat is een erkenning dat het loonbeleid faalt. Een voltijdse job moet volstaan om van te leven. Punt. Wie werknemers richting flexi-jobs duwt, zegt in feite: werk maar meer, aan gunsttarieven, omdat we weigeren lonen structureel op te trekken.

U beweert dat flexi-jobs geen vaste banen verdringen. In de bus- en autocarsector is dat niet alleen theoretisch onjuist, het is economisch naïef. Vandaag bestaat de sector al uit een hoog aandeel deeltijdse contracten, moeilijk combineerbare uurroosters en een structureel personeelstekort dat rechtstreeks verband houdt met loon- en contractonzekerheid.

In die context voert de regering een systeem in waarbij arbeid structureel goedkoper wordt. Een voltijdse chauffeur kost, afhankelijk van de subsector, 195 tot 255 euro per dag. Een flexi-jobber kost minder, bouwt geen rechten op en kan zonder verdere verplichtingen worden ingezet of geschrapt. Wie gelooft dat werkgevers in die context niet gaan opsplitsen, vervangen en herorganiseren, gelooft ook dat water niet stroomt waar het naar beneden kan.

Versnipperde loopbanen

U lacht het idee weg dat werknemers hun arbeidsregime zouden aanpassen. In de bus- en autocarsector is dat geen karikatuur, maar een harde realiteit als logische uitkomst van de regelgeving. Er is momenteel nog een cumulverbod binnen één bedrijf, maar geen cumulverbod binnen de sector. Het resultaat ligt voor de hand: 4/5-contracten worden de norm, aangevuld met flexi-jobs bij andere ondernemingen en binnenkort binnen dezelfde ondernemingsgroep. Voltijdse contracten verdwijnen, loopbanen worden versnipperd en sociale rechten verdampen. Dat is geen vrije keuze van werknemers. Dat is gedwongen flexibiliteit, ingegeven door lagere lonen en hogere werkdruk.

Kwaliteit en veiligheid

In de autocarsector wordt het perfect mogelijk om ervaren chauffeurs te vervangen door gelegenheidschauffeurs van buiten de sector.

Een leerkracht L.O. met het juiste rijbewijs kan morgen als flexi-jobber een bus besturen richting zwembad, skireis of buitenlandse schoolreis. Dat is geen randfenomeen. Dat is een structurele uitholling van vakmanschap, van betrokkenheid bij het bedrijf en van verantwoordelijkheid. Personenvervoer is geen bijberoep. Het gaat over veiligheid, verantwoordelijkheid en vertrouwen.

U schermt met cijfers over het totale arbeidsvolume. Dat is handig, maar misleidend. In sectoren zoals deze van de bus en autocar telt geen nationaal gemiddelde, maar wel de sectorale impact. De wet voorziet geen enkele procentuele beperking van flexi-jobs, geen relatie met de bestaande tewerkstelling, geen rem op vervanging. Een busbedrijf kan dus perfect beslissen om structureel of zelfs uitsluitend met flexi-jobbers te werken.

Dat is geen aanvulling op de arbeidsmarkt. Dat is een alternatief arbeidsmodel, gebaseerd op lagere kosten en minder rechten. Flexi-jobs werden ingevoerd als tijdelijke noodoplossing in de horeca. Het resultaat kennen we: vaste jobs verdwenen, flexibiliteit werd structureel en sociale bescherming uitgehold. Wie vandaag beweert dat dit in andere sectoren niet zal gebeuren, weigert te leren uit het verleden.

U noemt flexi-jobs een hefboom. Voor werkgevers klopt dat. Voor werknemers en voor onze sociale zekerheid zijn ze vooral een hefboom naar beneden. Een sterke arbeidsmarkt bouw je niet op uitzonderingen, maar op vaste jobs, leefbare lonen en sociaal overleg. Flexi-jobs doen precies het tegenovergestelde.

Hoogachtend,
Frank Moreels

Staken : voor of tegen de toekomst van onze kinderen?

24, 25 en 26 november. Drie dagen van historische mobilisatie om een halt toe te roepen aan het sociale offensief van de Arizona-regering. In het hart van deze stakingsacties: de verdediging van ons pensioensysteem, dat vandaag bedreigd wordt. Want achter de geruststellende verklaringen gaan maatregelen schuil die hard zullen toeslaan bij leerkrachten, ambtenaren en, ruimer nog, bij een hele generatie die het risico loopt met een sterk uitgeholde pensioen achter te blijven.

Een opiniestuk van Jef Maes, voormalig federaal secretaris van het ABVV

Een interne nota van het kabinet-Jambon met cijferwerk over de toekomstige pensioenen van het onderwijspersoneel maakt duidelijk dat vooral de jongere ambtenaren, dus onze (klein)kinderen, zwaar zullen inleveren.

Vandaag wordt het pensioen van een ambtenaar berekend op het loon van de laatste tien jaar. Vanaf 2027 komt daar elk jaar een jaar bij. Vanaf 2042 zal het ambtenarenpensioen dus worden berekend op het (lagere) loon van de laatste 45 jaar, net zoals in de privé.

Een leerkracht met een masterdiploma die op de leeftijd van 63 met pensioen gaat, en vandaag 55 jaar is, zal 146 euro per maand inleveren. Een leerkracht die vandaag 35 jaar is, zal al 756 euro per maand inleveren.

De nota van het kabinet-Jambon maakt om evidente redenen niet de rekening van het verlies van iemand die vandaag nog geen 30 jaar is. Tegen dat die ‘jongeren’ met pensioen gaan, zal het verlies nog hoger liggen.

Daar waar de Arizona-politici dus vertellen dat het nodig is om te hervormen voor de toekomstige generaties zijn het net die toekomstige generaties die het meest zullen inleveren, en steeds minder geloven dat ze nog zullen kunnen rekenen op een adequate sociale zekerheid.

Ook andere sociale beschermingsmaatregelen die geleidelijk worden afgebouwd zullen vooral pijn doen aan de jongere generaties, bijvoorbeeld de afbouw van het overlevings- en echtscheidingspensioen, nochtans een belangrijke sociale bescherming voor de mensen (vooral vrouwen) die deeltijds gaan werken om te zorgen voor kinderen en gezin.

Verdeel en heers

“Toch zullen de nettopensioenen van de leerkrachten ook na de hervorming nog veel hoger zijn dan gemiddeld in de privésector”, aldus het kabinet. 

Ze vergelijken hiervoor het pensioen van een ambtenaar die halfweg zijn carrière zit met het gemiddelde van alle werknemers van de privé, dat gemiddeld maar 1.523 euro per maand bedraagt. Dat is natuurlijk appels met peren vergelijken.

Natuurlijk zullen de pensioenen voor ambtenaren met een hoger diploma en dus een hoger loon die halverwege hun carrière zitten en voor wie de hervorming dus nog niet op kruissnelheid zit nog hoger liggen dan het gemiddelde van heel de privé.

“De ambtenaren zullen nog wel 75 procent van hun gemiddeld loon behouden, terwijl dat voor die van de privé maar 60 procent is.” Wat ze er dan niet bij vertellen, is dat het pensioen van de ambtenaren niet wordt berekend wordt op het vakantiegeld en de dertiende maand, terwijl dat in de privé wel het geval is.

De waarheid is dat de ambtenarenpensioenen de facto worden verlaagd tot het niveau van de werknemers van de privé, en daar moet je niet jaloers op zijn. Dat zijn diegenen die nu al aan de staart van het Europese peloton hangen. Erger nog, ook zij zullen door de plannen van de regering-De Wever meer dan 9 procent inleveren en aldus het Europese peloton moeten lossen.

Mochten ze hopen dat hun verlies zal worden gecompenseerd door de uitbouw van een tweede pijler: kijk naar de privé, waar dat bedrijfspensioen voor de overgrote meerderheid nog geen 50 euro per maand oplevert.

De enige troostprijs voor sommige ambtenaren, het onderwijs, de politie en de brandweer is dat ze, ocharme, nog een jaar vroeger met pensioen mogen gaan dan de anderen. Dat hebben ze te danken aan het feit dat ze op 15 januari massaal aanwezig waren op de vakbondsbetoging, waarmee meteen bewezen is dat actie loont.

Voor de zware beroepen in de privésector, de ploeg- en de nachtarbeiders en de bouwvakkers, zat zelfs dat er niet in. Ook niet voor het rijdende spoorwegpersoneel, dat de ene week om 3 uur ’s morgens moet opstaan om de vroegste treinen te laten rijden en de week daarna pas om 2 uur ’s nachts thuis komt van de laatste trein.

Dus wie mort omdat er wordt gestaakt dient zich toch even te informeren.

De Arizona-regering treft vooral laaggeschoolden en deeltijdswerkenden

Terwijl de Arizona-regering de aanvallen op ons sociaal model blijft opvoeren, herinnert de analyse van Jef Maes ons aan een essentiële waarheid: wanneer we investeren in de sociale zekerheid, daalt de armoede. Onder de Vivaldi-regering konden dankzij syndicale strijd en de verhoging van de minimumbedragen duizenden gezinnen eindelijk uit de onzekerheid geraken. Maar deze historische vooruitgang wordt vandaag bedreigd door een coalitie die de factuur presenteert aan dezelfde groepen die al het meest onder druk staan: laaggeschoolde werknemers, vrouwen, deeltijdsen en langdurig werklozen. Op basis van een studie van de FOD Sociale Zekerheid hekelt Jef Maes de gevolgen van het Arizona-beleid voor de armoede en, meer specifiek, de zwaardere impact op laaggeschoolden. Een nuttige lectuur om te begrijpen wat er op het spel staat in deze sociale krachtmeting.

Een opiniestuk van Jef Maes, voormalig federaal secretaris van het ABVV

Mag het ook eens goed nieuws zijn? Volgens een recente studie van de FOD Sociale Zekerheid heeft België het bijzonder goed gedaan in de jaren 2019-2024, de jaren van de Vivaldi-regering dus. De armoede nam het meest af van alle Europese landen (-22,3 procent).

Zonder sociale zekerheid zou een op de vier Belgen arm zijn. Dat betekent: minder dan 1.522 euro per maand als alleenstaande, of 2.283 euro voor een koppel zonder kinderen. Dankzij ons sociaal model zakt dat armoedecijfer tot 11,3 procent – het laagste sinds het begin van de metingen, en na Tsjechië het laagste van Europa. Onze sociale zekerheid is daarmee de meest doeltreffende in Europa in het terugdringen van armoede.

“In verhouding tot ons bbp zijn onze sociale uitgaven de voorbije jaren niet sterk gestegen, alleen maar heel eventjes tijdens de coronacrisis”, aldus Natascha Van Mechelen, één van de onderzoekers, in Knack. “Onze sociale uitgaven bleven over die hele periode vrijwel gelijk, maar ze zijn gerichter ingezet op kwetsbare groepen en dat zorgde voor de daling van de armoede.”

Als we de recentste cijfers van Eurostat bekijken, zien we inderdaad dat België in 2022 (laatste cijfers) met 27,6 procent van zijn bbp niet meer uitgeeft aan sociale bescherming dan in de andere Europese eurolanden (27,8 procent). Dat percentage is in België tussen 2012 en 2022 zelfs licht gedaald.

Welvaartsaanpassingen

Hoe komt het dat we dan toch zo’n daling van de armoede meemaken? Dat is ten eerste te wijten aan het feit dat de vakbonden vanaf 2007 – na ettelijke manifestaties – een systeem van welvaartsaanpassingen voor de sociale uitkeringen afdwongen.

Met dat systeem konden ze de minima elke twee jaar met 2 procent verhogen bovenop de index. Ze konden hiermee ook het percentage voor alleenstaanden die langer dan één jaar ziek of werkloos zijn verhogen van 40 naar 55 procent, waardoor zij minder in armoede belanden dan in de buurlanden. Bovendien slaagden ze erin om ook de minimumlonen te verhogen, waardoor de armoede bij werkenden (4,3 procent) slechts half zo hoog ligt als in de rest van Europa (8,2 procent).

In 2019 kwam bovendien de paars-groene Vivaldiregering aan de macht, die de minima verhoogde. Voor de gepensioneerden verhoogde minister van Pensioenen Lalieux (PS) die zelfs met 14 procent bovenop de index. Zoals ik vroeger al schreef: de Vivaldi-regering was voor de sociale zekerheid de beste regering in vijftig jaar.

Betekent dit dat we in het sociaal paradijs leven? Zeker niet! Een werkpunt is zeker het aantal (quasi) jobloze gezinnen. Daar doen we het slecht.

Eén op de vier alleenstaande ouders bevindt zich nog altijd in armoede. De zorg voor de kinderen heeft dikwijls als gevolg dat ze zich maar een deeltijdse job kunnen permitteren. Het zijn net de deeltijdswerkenden, vooral vrouwen, die het meest getroffen worden door de pensioenmalus die de huidige Arizona-regering wil invoeren.

De helft van de werklozen is vandaag al arm. Met de uitsluiting van 180.000 langdurig werklozen, waaronder meer dan 50.000 ouderen, zal dat resultaat in 2026 nog dramatisch verslechteren.

Laaggeschoolden en vrouwen

De besparingen in de werkloosheid en de pensioenen raken vooral de laaggeschoolden, en net zij hebben al bovenmatig te kampen met armoede (24 procent).

Bovendien heeft de sociale zekerheid niet alleen als taak om de armoede te verminderen, maar ook om je levensstandaard te beschermen als je niet meer kan werken. Dat aspect onderzoekt het rapport van de FOD sociale zekerheid spijtig genoeg niet.

Maar uit talrijke Europese studies weten we dat we met onze pensioenen op dat vlak slecht scoren, en dat we met de plannen van deze regering de rol in het Europees peloton definitief zullen moeten lossen.

De pensioenen van de werknemers zullen in verhouding met hun vroeger inkomen 9,2 procent zakken. Die van de ambtenaren met meer dan 12 procent.

Dat is dan nog in de veronderstelling dat de uitkeringen vanaf 2025 tot 2070 opnieuw en ononderbroken aangepast zouden worden aan de welvaart.

Anders dreigt een ramp.

Federaal budget – Geen losse eindjes, maar broodnodige sociale keuzes

Een opiniestuk van Jef Maes, voormalig federaal secretaris van het ABVV

Aan de vooravond van de grote vakbondsmanifestatie maakte Nahima Lanjri (cd&v) in de Kamer al duidelijk aan minister van Pensioenen Jambon (N-VA) dat zieken niet ook nog eens gediscrimineerd mogen worden door hun pensioen te korten. “Voor cd&v moet die periode volledig moet meetellen. Men kan daar immers niets aan doen, men kiest er niet voor om bijvoorbeeld ALS, MS of kanker te krijgen.” Laten we hopen dat ze werkelijk sprak voor cd&v, en dat haar vicepremier Van Peteghem dit standpunt deze keer wél hard zal maken.

Vorige donderdag in Dilbeek heeft nu ook Conner Rousseau het licht gezien. “Mijn moeder heeft kanker gehad”, zei de Vooruit-Voorzitter tijdens een ‘luistertoer’. “Eén jaar heeft ze niet gewerkt, vier jaar minder. Dat zich dat vertaalt naar haar pensioen ga ik niet aanvaarden.”

Een mens zou zich afvragen wie dat regeerakkoord dan onderhandeld heeft!

Maar goed, in het socialistisch paradijs is er veel vreugde voor wie zich na de grote manifestatie bekeerd heeft. Laten we hopen dat zijn vicepremier Vandenbroucke dit nu ook hard maakt.

Want dat ziekte niet mee zou tellen als gewerkte periode om de pensioenmalus te ontlopen of om na 42 jaar werken op pensioen te kunnen, werd al goedgekeurd in de ministerraad. Maar er komt een ‘tweede lezing’ van het wetsontwerp. Een tweede kans voor de zes grijze mannen die het kernkabinet rijk is.

Ondertussen hebben we minister Jambon wel al kunnen overtuigen dat moederschapsverlof niet laten meetellen vernietigd zou worden door het Europees Hof van Justitie, wegens overduidelijke genderdiscriminatie.

Arbeidsrecht

Iedereen spreekt over de pensioenen. Dat de Arizona-regering minstens even belangrijke maatregelen neemt die de bescherming van de werkende mens verminderen, is veel minder bekend.

Vicepremier Clarinval (MR) overdrijft niet als hij pocht met zijn “liberale revolutie van de arbeidsmarkt”.

Zo zal een werknemer van eind de vijftig die 29 jaar in dezelfde fabriek werkte en ontslagen wordt, het in de toekomst moeten stellen met maximum één jaar opzeggingsvergoeding, en daarna riskeren om na twee jaar werkloosheid ‘van den dop’ te vliegen. Om zich daarna te moeten richten tot het OCMW.

Als hij echter een partner heeft met een inkomen, of als hij te veel gespaard heeft, zal hij zelfs daar geen recht meer hebben op een leefloon. In elk geval zal hij geen sociale rechten en ook geen pensioenrechten meer opbouwen als hij op zijn leeftijd geen ander werk vindt.

Gelukkig is er nog internationale wetgeving die een aantal uitwassen beperkt.

Daar waar België vroeger altijd in Europa en in de wereld voorop liep in sociale wetgeving, wordt het vandaag door die internationale wetgeving dikwijls zelfs ingehaald.

Zo heeft de Raad van State er de regering nu op moeten wijzen dat het afpakken van de premies voor nachtarbeid voor de uren vóór middernacht en na 5 uur ’s morgens voor toekomstige arbeiders in de distributiesector en aanverwante sectoren strijdig is met het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie. Dat voorziet dat premies voor nachtwerk minstens voor zeven opeenvolgende uren gegeven moeten worden.

De Raad van State vindt overigens dat het feit dat nieuwe arbeiders veel minder beloond zouden worden, ertoe leidt dat “de verloning van werknemers met een gelijkaardig profiel, die eenzelfde functie vervullen, sterk uiteenloopt”, en dat de regering dat verschil onvoldoende motiveert.

Idem dito voor de jaarlijkse 360 overuren boven op de 38-urenweek die de regering zou willen invoeren. Voor 240 uren daarvan zouden overigens geen sociale bijdragen betaald moeten worden, waardoor die uren ook niet meer mee zouden tellen voor het pensioen. De Raad van State denkt dat dit botst met de Europese regelgeving. Ook het feit dat de vakbonden niet meer hun akkoord zouden moeten geven voor die overuren, botst volgens de Raad van State met het feit dat daardoor “het beschermingsniveau van het door de Grondwet gewaarborgde recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen” vermindert.

Dit zijn geen ‘losse eindjes’ die nog moeten opgelost worden vooraleer men aan de begrotingsbesprekingen begint. Dit zijn stuk voor stuk sociale keuzes.

Ze werden in het nadeel van de gewone mensen beslecht in het regeerakkoord en in de eerste wetsontwerpen, maar kunnen nog ten goede gekeerd worden.

Voor christendemocraten en socialisten is dit een essentiële opdracht, die ze tot nu onvoldoende volbracht hebben.

Het behoud van de GECO’s betekent het behoud van een onmisbare hefboom voor tewerkstelling en sociale samenhang in Brussel

Opinie van de vertegenwoordigers van de Brusselse socialprofitondernemingen (Bruxeo) en het gemeenschappelijk brusselse vakbondsfront (ABVV-Brussel, ACV, ACLVB)

De werkgevers- en werknemersorganisaties van de Brusselse socialprofitsector roepen de Brusselse onderhandelaars op om de duurzaamheid van het GECO-stelsel te garanderen. Een inkrimping ervan zou duizenden banen in gevaar brengen, de diensten van algemeen belang verzwakken en het vermogen van het Gewest aantasten om te beantwoorden aan de fundamentele noden van zijn bevolking.

Een essentiële hefboom voor werkgelegenheid en sociale samenhang

Elke dag zorgen vele werknemers voor het voortbestaan van essentiële diensten voor de Brusselaars: kinderverzorgsters, zorgkundigen, opvoedsters, begeleiders van personen met een handicap, culturele bemiddelaars, lesgevers in alfabetisering, maatschappelijk werkers, jeugdwerkers, polyvalente arbeiders in kringwinkels… Eén rode draad verbindt al deze maatschappelijk onmisbare beroepen: het GECO-stelsel – Gesubsidieerde Contractuele Werknemers.

Dit stelsel laat het Gewest toe een beroep te doen op organisaties uit het veld om essentiële openbare dienstverlening te verzekeren, door lokale, nuttige, duurzame en niet-delokaliseerbare tewerkstelling te ondersteunen, ten dienste van de Brusselaars. Vandaag zijn deze jobs niet bijkomstig: ze vormen de ruggengraat van honderden onmisbare diensten van algemeen belang.

Een goed beheerd, transparant en rigoureus instrument

Het GECO-stelsel wordt onderworpen aan strikte controles door Actiris, op basis van overeenkomsten en maandelijkse verantwoordingsstukken. Het is een betrouwbaar, beheersbaar systeem dat voldoet aan de eisen van goed bestuur.

De sector heeft al zijn deel gedaan

De voorbije tien jaar is het GECO-stelsel bijgestuurd, gerationaliseerd en gecontroleerd: de subsidiepercentages werden verlaagd, de voorschotten afgeschaft, de uitzonderingen beperkt. Een verdere inkrimping zou een reeds fragiel evenwicht verbreken.

Een te behouden model in een krap budgettair kader

Wij zijn ons bewust van de budgettaire uitdagingen waarmee het Brussels Gewest wordt geconfronteerd. Maar een vermindering van de GECO-middelen zou het tekort niet verkleinen – ze zou het probleem enkel verplaatsen.

De gevolgen zouden onmiddellijk en veelvoudig zijn:

Concreet zouden deze besparingen directe en onmiddellijke gevolgen hebben op het terrein: elke geschrapte functie betekent niet enkel één verloren baan, maar ook honderden begunstigden zonder dienstverlening, stilgelegde projecten en verzwakte wijken.

Onze eisen

Wij roepen de toekomstige Brusselse regering op om:

De GECO’s zijn geen kost, maar een strategische investering: in lokale tewerkstelling, in essentiële diensten van algemeen belang, in sociale samenhang en in de economische veerkracht van Brussel. Het ondersteunen van het GECO-stelsel betekent de garantie dat het Gewest kan blijven inspelen op de fundamentele noden van zijn inwoners.

Tatcher had ongelijk, er is altijd een keuze, premier De Wever

Is het normaal dat de rijkste 1 procent proportioneel twee keer minder belasting betaalt dan het gemiddelde van de belastingplichtigen?

Bert Engelaar is algemeen secretaris van het ABVV, Els Hertogen directeur van 11.11.11, Eva Smets directeur van Oxfam België, Joeri Thijs woordvoerder van Greenpeace België en Ann Vermorgen voorzitter van het ACV.

Zij betogen dat er wel degelijke alternatieven zijn voor de besparingsdrift van De Wever.

Terwijl de regering nieuwe, drastische besparingsmaatregelen voorbereidt die de middenklasse en de meest kwetsbaren zullen treffen, haalt eerste minister Bart De Wever de beroemde uitspraak van Margaret Thatcher aan: “There is no alternative.” Maar zowel de geschiedenis als de economie toont aan dat er wél andere wegen bestaan — eerlijkere en verstandigere wegen.

Door Thatcher te citeren om besparingen te rechtvaardigen, blaast De Wever een slogan uit de jaren 80 nieuw leven in. Een slogan die werd gebruikt om neoliberale beleidslijnen op te leggen die hebben geleid tot een explosie van ongelijkheid en armoede, tot de afbraak van openbare diensten, en tot deregulering in het voordeel van multinationals en de rijksten.

Is dat echt het model dat België wil volgen? Zeggen dat er “geen alternatief” is, getuigt van een gebrek aan visie. En van minachting tegenover al diegenen die werken, zorgen of lesgeven, en die de gevolgen van de besparingen zullen dragen. Op 14 oktober trokken 140.000 mensen door de straten van Brussel om duidelijk te maken dat solidariteit, openbare diensten, klimaat en sociale zekerheid geen afstelbare variabelen zijn. België verdient beter dan ideologische recepten uit de vorige eeuw.

De winst van sociaal beleid

In België lopen 2,1 miljoen mensen het risico op armoede of sociale uitsluiting. Toch kiest de Arizona-regering er vandaag voor om onze pensioenen, onze arbeidstijd, de gezondheidszorg, vrouwen, werkzoekenden, zieken en kwetsbare mensen aan te pakken. De begroting in evenwicht brengen ten koste van de meest kwetsbaren is een bijzonder slecht sociaal en economisch plan.

De mensen met de laagste inkomens beleggen hun geld niet in speculatieve fondsen of fiscale paradijzen. Zij geven het uit aan goederen en diensten, en pompen het zo rechtstreeks terug in de reële economie. Wie deze consumptie ondersteunt, ondersteunt de lokale handel en de tewerkstelling. Door hun inkomens in te krimpen, zoals de regering doet, duwt men mensen richting afgrond. Men dwingt hen om essentiële uitgaven te beperken: verwarming, voeding, kleding. Besparingen verarmen de meest kwetsbaren, maar keren zich uiteindelijk tegen de hele samenleving en economie.

Waarom weigert de regering hardnekkig een eerlijke bijdrage te vragen aan de rijksten? Zij zouden iets minder oppotten, zonder dat hun levensstijl daaronder lijdt. Een progressiever belastingstelsel zou de fiscale rechtvaardigheid én de economische stabiliteit versterken. Is het normaal dat de rijkste 1 procent proportioneel twee keer minder belasting betaalt dan het gemiddelde van de belastingplichtigen? Is het normaal dat belastingfraude en -ontwijking ons 30 miljard euro per jaar kosten?

Tegelijkertijd heeft het Planbureau berekend dat een vermogensbelasting voor miljonairs 4,7 miljard euro aan fiscale inkomsten zou kunnen opleveren. Dat geld investeren in gezondheidszorg, waardige pensioenen, klimaattransitie, internationale solidariteit en sociale bescherming is nooit weggegooid geld. Het is een investering in een veerkrachtigere, evenwichtigere, gezondere en vreedzamere samenleving. Deze sociale dividenden komen iedereen ten goede.

Politieke keuzes

Ondanks deze feiten wil de regering koel en berekend snijden in alle vormen van solidariteit. De aangekondigde besparingen op ontwikkelingssamenwerking zijn daar slechts één voorbeeld van. Ze gaan verder dan een loutere begrotingsoefening: het is een ideologische aanval op een sector die de regering herinnert aan haar internationale engagementen en haar verantwoordelijkheid inzake ontwikkelingssamenwerking en mensenrechten.

Tegelijkertijd besteedt België nog steeds 13 miljard euro per jaar aan subsidies voor fossiele brandstoffen. Hoewel sommige sociale steunmaatregelen moeten worden behouden, komt het grootste deel van deze subsidies ten goede aan vervuilende activiteiten zonder sociale meerwaarde, en vertragen ze de ecologische transitie. Hoe kan men besparingen rechtvaardigen in essentiële sectoren, terwijl men deze schadelijke subsidies in stand houdt die het klimaat en de gezondheid van burgers schaden?

In de voorbije tien jaar is België 19,3 miljard euro aan inkomsten misgelopen waarmee het openbare diensten en sociale zekerheid had kunnen financieren. Tegen 2029 zullen de federale inkomsten naar verwachting nog eens met 7,9 miljard euro dalen. Van de komende budgettaire achteruitgang zal 85 procent te wijten zijn aan de keuzes van Arizona. De regering saboteert dus bewust haar eigen inkomsten om zich vervolgens zorgen te kunnen maken over de hoge overheidsschuld die ze zelf heeft helpen creëren!

Deze situatie is geen noodlot. Als er niets verandert, moeten we de komende jaren rekening houden met een toename van de armoedecijfers. De taak van een regering is niet zich te verschuilen achter slogans uit een ander tijdperk, maar om nieuwe perspectieven en een toekomstvisie te bieden aan de bevolking.

De geschiedenis heeft het aangetoond: Thatcher had ongelijk.

Er is altijd een keuze; de keuze om een einde te maken aan inefficiënte en vervuilende fiscale cadeaus,
de keuze om iedereen naar draagkracht te laten bijdragen,
de keuze om te investeren in de toekomst in plaats van te snijden in gezondheid, onderwijs, sociale voorzieningen, internationale solidariteit en milieu.

De oproep van 85 stemmen uit het middenveld – burgers, vakbonden, verenigingen, kunstenaars, academici en activisten – voor een progressieve alliantie!

Het Gewest heeft een regering nodig die opgewassen is tegen de uitdagingen: solidair, ecologisch en resoluut progressief.
De meerderheid bestaat al – het volstaat de stap te zetten om ze te realiseren.

Vandaag verenigen 85 mensen uit het middenveld zich om die oproep luid en duidelijk te lanceren.

Brussel heeft dringend nood aan een regering. Maar niet eender welke regering.

Oproep tot een progressieve coalitie

11 maanden na de verkiezingen van 9 juni 2024 heeft Brussel nog steeds geen regering. Alle coalities zijn overwogen, ook de meest ingewikkelde. Behalve één: die van een linkse meerderheid die een progressieve regering zou steunen.

Zo’n meerderheid is er al in het Brusselse parlement, waar een linkse meerderheid tegen een rechtse minderheid heeft gestemd over ondubbelzinnige teksten, zoals die waarin de genocide op het Palestijnse volk wordt erkend of die tegen buitensporige huurprijzen.

Waarom zou het elan dat we hebben gezien bij deze twee emblematische dossiers niet kunnen leiden tot een regering die door dezelfde meerderheid wordt gesteund? Gezien de groeiende chaos in de leiding van het Gewest is dit nu het enige haalbare democratische alternatief.

De vraag komt van alle kanten: Brussel heeft dringend een regering nodig. Maar niet eender welke regering. Alleen een progressieve regering kan een coherente meerderheid hebben in beide taalgroepen.

Maar dat is niet de enige reden voor deze oproep.

Op federaal niveau voert de Arizona-regering een beleid van sociale en ecologische afbraak. Ze organiseert bezuinigingen die alleen de werkende bevolking treffen, terwijl de belangen van de machtigen worden gevrijwaard. Bovendien maken de rechtse partijen in Arizona er geen geheim van dat ze Brussel onder curatele willen plaatsen.

Er is geen enkele reden waarom de Brusselaars hierin zouden meegaan. Politiek links heeft in Brussel altijd een meerderheid gehad, zowel bij de stembusgang als in het parlement. Vandaag heeft die linkerzijde de mogelijkheid om te tonen dat het ook anders kan, door zich te engageren in een regeringsvorming. Ze heeft de plicht samen te werken aan een duurzame en veerkrachtige samenleving in onze stadsgewest, voor sociale en ecologische rechtvaardigheid, met zorg en solidariteit als politiek kompas.

Velen in sociale en culturele organisaties en in het maatschappelijk middenveld willen zo’n politiek project. Deze oproep is geen blanco cheque: we zullen zelf waakzame partners blijven. We zijn ons bewust van de uitdagingen waarvoor ons stad-gewest staat. We kennen de noodzaak om op veel gebieden een koerswijziging door te voeren. Maar het is absoluut noodzakelijk dat zo’n beleid steunt op de vitale krachten in de Brusselse bevolking.

Op deze 1ste mei 2025 roepen we de politieke krachten, bezorgd over de toekomst van Brussel, die zich herkennen in deze ambitie op om de sprong te wagen.

Samen kunnen jullie het doen.

Stel ons niet teleur.

De 85 ondertekenaars :

(Eerste ondertekenaars in vette letters)

  1. Mateo Alaluf (ULB)
  2. Alejandra Alarcon-Henriquez (BePAx)
  3. Déborah Antunes Madeira (Centre Athena)
  4. Myriam Azar, Eduardo Carnevale et Aline Jacques (collectif Alpha)
  5. Georges Bauherz (neuropsychiatre)
  6. Joëlle Baumerder (fondatrice de la Maison du Livre)
  7. Claire Billen (ULB)
  8. Clement Bogaerts (Seso-SETM) Françoise Bloch (metteure en scène)
  9. Manuela Bruyndonckx (employée retraitée, ULB)
  10. Jean-Michel Cappoen (SETCa-BBTK)
  11. Michel Caraël (ULB)
  12. Rudy Cassart (Banlieues)
  13. Giulia Contes et Gregory Mauzé (CNAPD)
  14. Anne Coppieters (Lire et Écrire Bruxelles)
  15. Eric Corijn (VUB)
  16. Valter Cortese (ULB)
  17. Kim Collyns (FGTB Centrale Générale – ABVV Algemene Centrale)
  18. Eric Crokaert (FGTB Horval)
  19. Jean Daems (ex-secrétaire général MOC)
  20. Simon de Brouwer (SeTIS)
  21. Diana De Crop (Les Amis d’ma mère)
  22. Rémi Dekoninck (projet Lama)
  23. Sarah de Liamchine (PAC)
  24. Jo De Leeuw (militante CGSP Enseignement)
  25. Jean-Luc De Meulemeester (ULB)
  26. Lieven De Cauter (KUL)
  27. Violaine Deneys (CGSP-ACOD)
  28. Olivier De Schutter (UCL)
  29. Alexis Deswaef (avocat)
  30. Bernard De Vos (délégué général honoraire aux droits de l’enfant)
  31. Muriel Di Martinelli (CGSP ALR BRU)
  32. Amine El Asli (éducateur, conseiller philosophique)
  33. Henri Eisendrath (VUB)
  34. Sabrina Ergen (Arpaije-OiSP, Esmi)
  35. Hugues Esteveny (travailleur social)
  36. Anne Fievet et Sébas/en Gratoir (Forest à gauche / Vorst Links)
  37. Camille Fortunier (ULB/INeS)
  38. Catherine François (Mission locale Saint-Gilles)
  39. Eric Fabri (ULB)
  40. Marc Frère (Arau)
  41. Pierre Galand (ancien sénateur)
  42. Michel Genet (responsable associatif)
  43. Martin Georges (Revue Politique)
  44. Henri Goldman (le blog cosmopolite)
  45. Carole Grandjean (militante associative)
  46. Serge Gutwirth (VUB)
  47. Mejed Hamzaoui (ULB)
  48. Michel Hubert (UCL et ULB)
  49. Françoise Kemajou (Pour la Solidarité)
  50. Francine Esther Kouablan (Mrax)
  51. Najar Lahouari (Métallos MWB – Metallos MWB)
  52. Alain Leduc (Université populaire de Bruxelles)
  53. Adrien Lenoble (Mission locale Saint-Gilles)
  54. Florence Lepoivre (FGTB Bruxelles)
  55. Arnaud Lismond-Mertes (CSCE – Ensemble!)
  56. Gabriel Maissin (économiste, UCL)
  57. Esteban Martinez (ULB)
  58. Marco Martiniello (ULg)
  59. Fred Mawet (militante CGé)
  60. Eléonore Merza-Bronstein (MOC Bruxelles)
  61. Mark Michiels (Louis Paul Boonkring)
  62. Jacques Morel (médecin, ancien député)
  63. David Murgia (acteur, metteur en scène)
  64. Carla Nagels (ULB)
  65. Sotieta Ngo (Ciré)
  66. Irène Pêtre (ex-permanente nationale CNE)
  67. Julien Pieret (ULB)
  68. Andrea Rea (ULB/InES)
  69. July Robert (autrice et traductrice)
  70. Michel Roland (médecin, ULB, projet Lama)
  71. Eleonora Sambasile (CFA)
  72. Pierre Schoemann (FSPST)
  73. Claude Semal (artiste, L’Asymptomatique)
  74. Cataline Sénéchal (travailleuse associative)
  75. Daniel Soil (écrivain public, romancier)
  76. Michel Staszewski (historien)
  77. Andreas Stathopoulos (Le DK)
  78. Marcelle Stroobants (ULB)
  79. Cedric Tolley (sociologue)
  80. Martin Vander Elst (anthropologue)
  81. Felipe Van Keirsbilck (CNE)
  82. Philippe Vansnick (CSC Bruxelles)
  83. Mathieu Verhaegen (CGSP ALR BRU)
  84. Véronique Wemaere (Solsoc)
  85. Yasmina Zian (ULB)