Zoek het geld eens waar het zit
11/08/2026
Meer dan de helft van de mensen die dit jaar hun werkloosheidsuitkering verloren, klopte aan bij het OCMW, terwijl slechts een klein deel opnieuw werk vond. Voor Bert Engelaar toont deze eerste balans vooral aan dat de regering-De Wever de factuur doorschuift en de betrokkenen armer maakt, zonder de problemen op de arbeidsmarkt of die van de overheidsfinanciën op te lossen.
In een opiniestuk op DeWereldMorgen, een onafhankelijk Vlaams medium, roept hij op om het over een andere boeg te gooien: in plaats van geld te zoeken in de zakken van wie het minst heeft, is het tijd om de grootste vermogens eerlijk te laten bijdragen.
Een opinistuk van Bert Engelaar, Voorzitter van het ABVV
Meer dan de helft van de werklozen die dit jaar hun uitkering verloren, heeft intussen een leefloon aangevraagd bij het OCMW. De regering-De Wever ging ervan uit dat ongeveer één op de drie uitgesloten werklozen die stap zou zetten. Het werden er 53 procent. Van de ruim 99.000 mensen die hun werkloosheidsuitkering zagen verdwijnen, vroegen er meer dan 52.000 een leefloon aan en kregen ruim 43.000 dat leefloon ook daadwerkelijk toegekend. De grote arbeidsmarkthervorming waarop deze regering zo trots was, blijkt voorlopig vooral een dure verhuisfirma: mensen worden uit de werkloosheidsverzekering gezet, waarna ze enkele loketten verder bij het OCMW terechtkomen.
De uitkering verdwijnt uit de boeken van de RVA, maar de mens verdwijnt uiteraard niet. Ook de huur, de energiefactuur en de prijs van de winkelkar verdwijnen niet. De federale regering kan pronken met een lagere uitgave in één stelsel, terwijl de gemeenten extra dossiers, extra begeleiding en extra uitgaven krijgen. De rekening wordt niet opgelost, ze wordt doorgeschoven. Het inkomen van de betrokkene wordt onderweg doorgaans wel een stuk lager. Dat is dan blijkbaar de hervorming.
Toch klinkt het allemaal goed in het hoofd van een behoorlijk deel van Vlaanderen. Werklozen hun uitkering afnemen, dat voelt tenminste kordaat. Eindelijk wordt er opgetreden tegen mensen die al jaren op kosten van de samenleving leven. Eindelijk worden de profiteurs wakker geschud. Eindelijk moet iedereen zijn deel doen.
Wie die profiteurs precies zijn, blijft meestal onduidelijk. Het zijn in elk geval zelden de mensen die we persoonlijk kennen. Abdel uit de straat is geen profiteur, want die heeft twintig jaar in de bouw gewerkt en vindt na zijn rugoperatie nauwelijks nog een werkgever die hem wil aannemen. Sarah, de buurvrouw die alleen voor haar kinderen zorgt nadat haar winkel sloot, is ook geen profiteur. Zij probeert het echt. Abdullah, de sterspeler van de voetbalploeg van je zoon, komt evenmin uit zo’n gezin, want zijn ouders zijn vriendelijke mensen die altijd helpen bij de club.
De profiteurs zijn altijd de anderen. Ze wonen ergens buiten onze straat, staan niet naast ons aan de schoolpoort en verkopen geen wafels voor de voetbalploeg. Zodra mensen een naam, een gezicht en een verhaal krijgen, blijken ze opvallend vaak ontslagen, ziek, gescheiden, laaggeschoold, te oud volgens de werkgever of gevangen in een regio waar de jobs nu eenmaal niet voor het rapen liggen. Toch wordt in het publieke debat een handige anonieme massa gecreëerd, een leger van luie mensen dat thuis in de zetel ligt terwijl de hardwerkende Vlaming de rekening betaalt.
Dat beeld is politiek bijzonder winstgevend. Rechts heeft immers een verhaal dat iedereen onmiddellijk begrijpt: er is te weinig geld, omdat te veel mensen profiteren. Neem hun uitkering af, zet hen onder druk en de begroting komt opnieuw in evenwicht. De oplossing past op een bierkaartje en vraagt geen moeilijke uitleg. Het is alleen jammer dat de cijfers telkens opnieuw weigeren mee te werken.
Van de eerste groepen die hun uitkering verloren, vond voorlopig ongeveer tien procent werk. Een vergelijkbaar deel kwam in de ziekteverzekering terecht. Meer dan de helft stapte naar het OCMW. De regering nam mensen dus geen uitkering af omdat er een baan op hen wachtte, maar omdat een politieke kalender had beslist dat hun tijd verstreken was. Wie na twee jaar geen werk heeft, wordt armer gemaakt, ook wanneer er geen werkgever klaarstaat, de gezondheid het laat afweten, kinderopvang onbetaalbaar is of het openbaar vervoer de bedrijventerreinen simpelweg niet bereikt.
Armoede wordt zo als arbeidsmarktinstrument gebruikt. De redenering luidt dat iemand harder zal zoeken zodra zijn inkomen daalt. Alsof werkgevers plots minder selectief worden wanneer een werkloze minder geld heeft. Alsof een rugprobleem verdwijnt omdat de RVA een brief stuurt. Alsof leeftijdsdiscriminatie ophoudt zodra het leefloon begint. Alsof een alleenstaande moeder meer uren in een dag krijgt wanneer haar uitkering wordt stopgezet.
De regering kan zich intussen wel beroepen op daadkracht. Zij heeft beslist, gesanctioneerd en geschrapt. De resultaten zijn minder indrukwekkend. De begroting is niet gered, de arbeidsmarkt is niet plots hervormd en tienduizenden mensen zijn niet aan het werk geholpen. Wel kregen de OCMW’s er een enorme opdracht bij en moeten gezinnen met nog minder inkomen verder. De statistiek van de werkloosheidsverzekering ziet er beter uit, wat in de Wetstraat wellicht als een succes geldt. Wie van de ene tabel naar de andere verhuist, telt blijkbaar als geactiveerd.
Vervolgens komt onvermijdelijk de volgende groep in beeld. Nu de opbrengst bij de werklozen tegenvalt, wordt naar de langdurig zieken gekeken. Daar zouden nog veel meer mensen zitten die met voldoende druk opnieuw aan het werk kunnen. Ook daar is de boodschap eenvoudig: strenger controleren, sneller sanctioneren en minder lang betalen. Dezelfde methode wordt herhaald, hoewel de eerste toepassing nauwelijks het beloofde resultaat oplevert.
Het merkwaardige is dat financiële prikkels in onze politiek slechts één richting uitgaan. De werkloze moet een financiële prikkel krijgen om werk te zoeken. De zieke moet een financiële prikkel krijgen om sneller te herstellen. De alleenstaande moeder moet een financiële prikkel krijgen om elke job aan te nemen. Zodra het over de allerrijksten gaat, verandert de woordenschat. Dan moeten we opletten dat we niemand afschrikken, dat vermogen niet vlucht en dat investeerders zich welkom blijven voelen. De arme krijgt een stok, de rijke krijgt begrip.
Daar zit de kern van het probleem. Deze regering zoekt geld bij mensen die nauwelijks geld hebben. Het is politiek eenvoudig, want zij beschikken niet over fiscalisten, lobbyisten of rechtstreekse toegang tot kabinetten. Hun vermogen kan niet in een holding verdwijnen en hun inkomen kan niet naar een fiscaal gunstiger constructie worden verschoven. Wie van een uitkering leeft, heeft een bankrekening die gecontroleerd kan worden en een huisadres waar een brief naartoe kan. Dat maakt hem een bijzonder gemakkelijk doelwit.
Wie echt veel bezit, staat er heel anders voor. Vermogen groeit vaak sneller dan lonen. Huizen, aandelen en beleggingen leveren nieuwe inkomsten op, terwijl wie enkel van arbeid leeft vooral belastingen betaalt op elke verdiende euro. Grote fortuinen worden doorgegeven, rendementen stapelen zich op en geld begint vanaf een bepaald niveau vooral nieuw geld voort te brengen. De samenleving wordt ondertussen wijsgemaakt dat het grote begrotingsprobleem zich bevindt bij iemand die van 1.300 euro per maand leeft.
Dat is economisch onzin, maar politiek werkt het. Rechts wijst naar beneden en zegt dat daar het geld zit. Vakbonden en progressieven antwoorden vervolgens met een plan van twintig maatregelen, meerdere uitzonderingen, berekeningen over fiscale ontvangsten en een uitvoerige toelichting over alle mogelijke vormen van vermogensbelasting. Tegen de tijd dat onze derde tabel is uitgelegd, heeft rechts de discussie al gewonnen met vijf woorden: pak de profiteurs hun geld af.
Daar moeten we het geweer dringend van schouder veranderen. Ons antwoord hoeft niet ingewikkeld te zijn. Zoek het geld waar het zit. Laat de grootste vermogens eindelijk een eerlijke bijdrage betalen. Voer een rijkentaks in.
Daarmee wordt niet de kleine spaarder bedoeld, evenmin de zelfstandige die zijn hele leven werkte om een zaak op te bouwen of het gezin dat eindelijk een woning heeft afbetaald. Het gaat over de allergrootste fortuinen, over mensen die miljoenen bezitten en wier vermogen jaar na jaar groeit zonder dat zij daarvoor nog een uur extra moeten werken. Wie zoveel heeft dat zijn levensstandaard niet verandert door een ernstige bijdrage, kan die bijdrage ook leveren.
Een rijkentaks is geen straf voor succes. Het is de eenvoudige erkenning dat een samenleving niet kan blijven draaien wanneer arbeid zwaar wordt belast en enorme vermogens grotendeels worden ontzien. Verpleegkundigen, leerkrachten, de zelfstandige kruidenier, bouwvakkers en winkelbedienden betalen elke maand belastingen vóór hun loon op de rekening staat. Het is moeilijk uit te leggen waarom iemand met een gigantisch vermogen eindeloos mogelijkheden krijgt om zijn bijdrage te beperken, terwijl een werkloze iedere euro spaargeld moet verantwoorden aan het OCMW.
De regering-De Wever wilde aantonen dat zij taboes durfde te doorbreken. In werkelijkheid brak zij vooral de bescherming af van mensen die weinig politieke macht hebben. Tienduizenden werklozen verloren hun uitkering, meer dan de helft kwam bij het OCMW terecht en slechts een beperkte groep vond voorlopig werk. De verwachte begrotingswinst bleek grotendeels een illusie, terwijl de maatschappelijke kost zeer reëel is.
Wat hebben we dan gewonnen? Geen 99.000 nieuwe werknemers, geen sluitende begroting en geen arbeidsmarkt die plots beter functioneert. Wel armere gezinnen, zwaarder belaste gemeenten, meer onzekerheid en een regering die een administratieve verschuiving verkoopt als een historische hervorming.
De werkloze heeft dit land niet leeggeroofd. Abdel, Sarah en al die andere mensen die proberen overeind te blijven, hebben geen miljarden verborgen. De begroting zal niet gered worden door hen nog wat dieper in de armoede te duwen. Wie ernstig werk wil maken van gezonde overheidsfinanciën, moet ophouden met zoeken in lege zakken.
Het geld zit bovenaan.
Haal het daar.