In een open brief leggen ABVV en ACV Brussel drie alternatieven op tafel voor het begrotingsconclaaf
03/10/2026
In de aanloop naar het begrotingsconclaaf van dit weekend richten ABVV Brussel en ACV Brussel een open brief aan de leden van de Brusselse regering. Tegenover een besparingstraject waarbij het grootste deel van de inspanning op de uitgaven rust, leggen de twee vakbondsorganisaties drie concrete alternatieven op tafel: een rechtvaardigere en progressievere vastgoedfiscaliteit, een hervorming van de erf- en schenkbelasting en een herziening van de fiscale gunstregelingen. Ze vragen de regering om deze alternatieven te onderzoeken, te becijferen en hun budgettaire potentieel in kaart te brengen.
OPEN BRIEF AAN DE LEDEN VAN DE BRUSSELSE REGERING
Brusselse begroting: wij leggen alternatieven op tafel en vragen u om ze te onderzoeken
Geachte minister-president,
Geachte ministers,
Geachte staatssecretarissen,
Aan de vooravond van een belangrijk begrotingsconclaaf voor Brussel nemen de alarmerende verklaringen toe. De begrotingssituatie zou zo ernstig zijn dat, gezien de stijgende rente en de omvang van de schuld, snel en zeer drastisch moet worden ingegrepen. Volgens sommigen zou er eenvoudigweg geen alternatief zijn: nog verder besparen op de uitgaven zou onvermijdelijk zijn.
Laten we duidelijk zijn: de begrotingssituatie van Brussel is ernstig. Het tekort is aanzienlijk, de schuld neemt toe en daarmee wegen ook de intresten die het Gewest aan banken en financiële markten moet betalen steeds zwaarder op de beschikbare middelen voor andere beleidsmaatregelen in Brussel. Een saneringstraject is noodzakelijk. Maar die realiteit erkennen, betekent niet dat om het even welk antwoord aanvaardbaar is.
Uw regering heeft een keuze gemaakt in haar gewestelijke beleidsverklaring, en sindsdien tijdens de begrotingsbesprekingen tot een dogma is verheven: dat is tegen 2029 opnieuw een begrotingsevenwicht bereiken en 80% van de inspanning doen met besparingen.
Dat betekent elk jaar meer dan 300 miljoen euro aan bijkomende inspanningen. Dat is niet louter een boekhoudkundige beslissing. Het is een politieke keuze, zowel wat het tempo als wat de verdeling van de inspanning betreft. Een keuze die vandaag meer dan ooit ter discussie moet worden gesteld, gezien de evolutie van de internationale economische conjunctuur en de uitdaging om Brusselaars opnieuw aan het werk te krijgen in een context die wordt gekenmerkt door uitsluitingen van de werkloosheid.
Brussel is Griekenland niet
Om dit besparingsbeleid te rechtvaardigen, wordt door sommigen het schrikbeeld van een onbeheersbare financiële crisis opgeroepen. Er wordt zelfs regelmatig verwezen naar Griekenland. Die vergelijking strookt niet met de huidige situatie.
Brussel kan zich nog steeds financieren. Eind augustus beschikte het Gewest over 1,25 miljard euro aan kredietlijnen bij vier verschillende kredietverstrekkers. De studie van het Athena Instituut[1] toont aan dat Brussel vandaag niet te maken heeft met een onbeheersbare schulddynamiek en evenmin met een financieringscrisis.
Wij zeggen niet dat er niets moet gebeuren. Maar we moeten handelen zonder dat we urgentie met overhaast werk verwarren. We kunnen nog altijd kiezen voor het tempo, de verdeling van de inspanning en de middelen waarmee we de Brusselse financiën opnieuw op orde brengen.
Door steeds verder te besparen, dreigen we kapot te maken wat Brussel doet functioneren
Want besparingen hebben ook een kostprijs. Vandaag zijn de gevolgen al zeer concreet. Tussen januari en juli 2026 verloren de gewestelijke administraties 517 voltijdse equivalenten. En dit is nog maar het begin: het traject van uw regering voorziet tegen het einde van de legislatuur in een vermindering met 1.800 VTE.
Tegelijkertijd moet hub.brussels ongeveer 16 miljoen euro besparen en heeft het 14 van zijn 33 kantoren in het buitenland gesloten. visit.brussels moet ongeveer 5,7 miljoen euro besparen en verloor al 37 van zijn 159 VTE.
Ook de socialprofitsector blijft niet gespaard. Daar werd in 2025 al bijna 33 miljoen euro bespaard. En van het werkgelegenheidsbeleid wordt verwacht dat het 55 miljoen euro bijdraagt in 2027, 65 miljoen in 2028 en 75 miljoen in 2029.
Hier bereikt uw louter boekhoudkundige redenering haar grenzen.
Minder overheidsinvesteringen betekent mogelijks minder economische activiteit en minder jobs. Minder jobs en inkomens betekent minder consumptie in de handel, de horeca, de cultuursector en de lokale economie. Besparen op opleiding, begeleiding naar werk, vervoer of huisvesting betekent ook dat de voorwaarden die nodig zijn voor de economische ontwikkeling van Brussel worden aangetast.
Wij herinneren u hier aan wat alle sociale gesprekspartners binnen Brupartners stellen: “De onderinvestering in en de verzwakking van de openbare diensten en de socialprofitsector vormen een belangrijk economisch risico, aangezien ze de ongelijkheid inzake toegang tot werk vergroten, de tekorten op de arbeidsmarkt versterken en wegen op de algemene productiviteit. Brupartners is dan ook van mening dat een geloofwaardig economisch herontwikkelingsplan niet om kwaliteitsvolle en correct gefinancierde openbare diensten en opdrachten van algemeen belang heen kan. Deze moeten worden beschouwd als volwaardige hefbomen voor concurrentiekracht, economische veerkracht en sociale cohesie.”
Men kan niet beweren de aantrekkelijkheid en de economische activiteit van Brussel te willen versterken en tegelijkertijd de instrumenten verzwakken die net daar toe moeten bijdragen.
Tegelijkertijd verlaagt uw regering haar inkomsten
De tegenstrijdigheid is des te moeilijker te begrijpen omdat uw regering, naast de aangekondigde besparingen, nieuwe fiscale uitgaven en inkomstenverminderingen plant.
Een verlaging van de gewestelijke personenbelasting, een verdubbeling van de Be Home-premie en nieuwe fiscale stimuli voor ondernemingen: deze maatregelen worden voorgesteld als instrumenten om de aantrekkelijkheid te versterken.
Maar hun doeltreffendheid is verre van aangetoond. De Inspectie van Financiën is met name van oordeel dat een verlaging van de personenbelasting met 1% te beperkt is om een significant effect te hebben op de koopkracht en het behoud van de middenklasse in Brussel[2]. Vooral uw keuzes hebben een budgettaire kostprijs: de verlaging van de personenbelasting en de bijkomende fiscale uitgave voor Be Home vertegenwoordigen samen meer dan 90 miljoen euro voor de gewestelijke begroting. Dat zijn evenveel miljoenen die vervolgens elders moeten worden gezocht om de doelstelling van een terugkeer naar begrotingsevenwicht te halen.
De inspanning die van de Brusselaars wordt gevraagd, wordt dus kunstmatig verzwaard door ongelukkige politieke keuzes die erin bestaan de inkomsten van het Gewest te verminderen, net op het moment dat uw regering het tekort aanhaalt om nieuwe besparingen te rechtvaardigen.
Men kan niet eisen dat elke euro die aan openbare diensten, de socialprofitsector of werkgelegenheid wordt besteed, wordt verantwoord, en tegelijk bepaalde fiscale uitgaven als onaantastbaar beschouwen enkel omdat ze in het regeerakkoord staan. Voor elke publieke euro moet dezelfde eis inzake doeltreffendheid gelden.
Bovendien geeft een verhaal over de Brusselse financiën dat uitsluitend focust op de stijging van de uitgaven een onvolledig beeld van de situatie.
De Athena-studie schat dat Brussel in 2024 over 751 miljoen euro extra zou hebben beschikt indien de inkomsten gewoon hetzelfde aandeel in de economie hadden behouden als in 2016.
De studie wijst ook op een structurele onderfinanciering van Brussel van naar schatting ongeveer 1,8 miljard euro, onder meer als gevolg van de bijzondere functies die het Gewest vervult als Belgische, Europese en internationale hoofdstad.
Als het probleem zowel bij de uitgaven, de inkomsten als de structurele financiering van Brussel ligt, waarom dan vier vijfde van de saneringsinspanning uitsluitend op de uitgaven laten rusten?
Wij leggen alternatieven op tafel
Kritiek leveren op het traject dat uw regering heeft gekozen, volstaat niet. Wij, ACV Brussel en ABVV Brussel, schuiven ook concrete alternatieven naar voren en vragen u om die in het kader van dit begrotingsconclaaf ernstig te onderzoeken.
1. Een rechtvaardigere en progressievere vastgoedfiscaliteit
Ons eerste voorstel bestaat erin de vastgoedfiscaliteit te hervormen en rechtvaardiger en progressiever te maken. Het gaat er niet om de kleine eigenaar te treffen die één appartement verhuurt als aanvulling op zijn inkomen of pensioen. In Brussel wordt de helft van de huurwoningen verhuurd door verhuurders die slechts één of twee woningen bezitten.
Maar het verhuurde vastgoed is ook sterk geconcentreerd: 30% van de huurwoningen in Brussel is in handen van eigenaars die meer dan vijf woningen verhuren. Sommigen bezitten er tien, twintig, dertig of meer[3].
Die concentratie zien we ook terug bij de inkomens: 48% van de huurwoningen behoort toe aan verhuurders uit de 30% hoogste inkomens. Een derde behoort toe aan de 20% hoogste inkomens[4].
Het is dus mogelijk om eigenaars-bewoners en kleine verhuurders te beschermen en tegelijkertijd grote vastgoedvermogens meer te laten bijdragen. Dat kan onder meer via een fiscaliteit die beter rekening houdt met de waarde van de goederen en het aantal eigendommen dat iemand bezit, in plaats van te blijven steunen op een grotendeels achterhaald kadastraal inkomen.
Deze hervorming moet uiteraard gepaard gaan met huurprijsregulering, om te vermijden dat een hogere belasting eenvoudigweg wordt doorgerekend aan de huurders.
2. Grote vermogensoverdrachten meer laten bijdragen
Ons tweede voorstel bestaat erin de fiscaliteit op erfenissen en schenkingen te herzien, zodat grote vermogensoverdrachten meer bijdragen. Vandaag beschikken mensen met de grootste vermogens ook over meer mogelijkheden om de overdracht ervan onder fiscaal voordelige voorwaarden te organiseren.
3. Fiscale niches waarvan de doeltreffendheid niet is aangetoond, herbekijken
Tot slot vragen wij de regering om alle gewestelijke fiscale niches tegen het licht te houden en die waarvan de doeltreffendheid niet is aangetoond, af te schaffen of te heroriënteren. Als elke euro die aan openbare diensten, de socialprofitsector of het werkgelegenheidsbeleid wordt besteed, moet worden verantwoord, is er geen enkele reden waarom fiscale uitgaven aan diezelfde eis zouden ontsnappen.
Deze drie voorstellen vertrekken vanuit dezelfde logica: grote vermogens meer laten bijdragen in plaats van het grootste deel van de begrotingsinspanning te laten dragen door de werkneemsters en werknemers, de openbare diensten en de socialprofitsector.
Wij vragen u deze alternatieven te onderzoeken en te becijferen
Wij beweren niet dat deze drie maatregelen op zichzelf de begrotingssituatie van Brussel zullen oplossen. Er bestaat geen wondermiddel.
Maar het traject dat uw regering heeft gekozen, werkt contraproductief: door de werkgelegenheid, de investeringen en de koopkracht te verzwakken, tast het ook de inkomsten aan die Brussel nodig heeft om zijn financiën opnieuw op orde te brengen.
De financiële situatie van Brussel vereist keuzes. Maar ze verplicht ons niet tot de keuzes die uw regering vandaag maakt.
Wij leggen vandaag drie concrete alternatieven op tafel. Wij vragen u om ze te onderzoeken, te becijferen en hun budgettaire potentieel te evalueren, met dezelfde grondigheid als waarmee de besparingen worden beoordeeld die van de openbare diensten, de socialprofitsector en het werkgelegenheidsbeleid worden gevraagd.
Wij vragen u dan ook om deze alternatieven volwaardig op te nemen in het begrotingsdebat.
Wij staan tot uw beschikking om deze voorstellen verder toe te lichten en er met u over van gedachten te wisselen in het kader van de lopende begrotingswerkzaamheden.

Open brief aan de leden van de Brusselse regering
[1] Athena-Instituut, Une alternative à l’austérité bruxelloise, 18 september 2026
[2] Conclusie van het advies van de Inspectie van Financiën van 26 mei 2026 over het voorontwerp van ordonnantie houdende vermindering van de gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting:
« Etant donné
– sa part de 12,4 % dans l’effort budgétaire global de 2026-2029,
– son faible effet retour attendu et
– le risque à terme pour la Région de devoir compenser les communes,
l’Inspection des Finances s’interroge sur l’opportunité de la mesure proposée.
Si le coût de la mesure (c. 60.000.000 EUR/an) est compensé par une réduction des dépenses, il y a lieu de s’assurer que ce n’est pas au détriment de mesures dont l’impact économique serait plus positif pour le budget et l’économie régionale (telles des dépenses d’investissement, de soutien à la recherche ou à l’initiative économique).
Si le coût de la mesure devait être compensé par une hausse de recettes due à une meilleure perception, le gouvernement pourrait aussi tout simplement renoncer à cette mesure d’un rendement si faible et réduire d’autant l’effort budgétaire global.
Aussi, l’Inspection des Finances remet un avis NEGATIF sur la proposition. »
[3] François Ghesquiere, Qui sont les bailleurs en Belgique ? Observatoire Belge des inégalités, 3 april 2023.
[4][4] Hugo Perilleux, Extraction de la rente dans le secteur de la location de logements doctoraatsthesis, Geografische Wetenschappen, Université Libre de Bruxelles, 2023.