>> Straffeloosheid van de multinationals
<<vorige pagina   Volgende pagina>>
   
1. Welke verbanden zijn er tussen de mechanismen van onderaanneming en het feit dat de bedrijven kunnen ontsnappen aan de toepassing van wetten of collectieve overeenkomsten?

Paul Binje (Voorzitter van de provinciale afdeling Brabant van de Centrale der Metaalindustrie van België)

We moeten eerst het onderscheid maken tussen drie soorten onderaanneming:

a. Onderaanneming binnen een bedrijf
Dit zijn diensten die vroeger geleverd werden door het bedrijf zelf en die het in onderaanneming gegeven heeft aan de minst biedende, bijvoorbeeld: de kantine, de schoonmaak, de bewaking,het onderhoud,enz.
Reeds hier is de doelstelling,onder het mom zich toe te spitsen op zijn hoofddoelstelling (‘het hart van de onderneming’), het realiseren van besparingen door hele delen van de onderneming door te geven aan anderen die afhangen van andere paritaire commissies, die minder hoge arbeidsvoorwaarden en bezoldigingen hebben…

b. Onderaanneming buiten het bedrijf
Het is de onderneming zelf die ‘delen’ van haar productie in onderaanneming geeft. Bijvoorbeeld: Volkswagen- Brussel die het maken van autozetels, binnenbekleding van deuren, bumpers, enz. uitbesteedt en die voortdurend studies maakt van schaalvoordelen.Binnenkort zal de hele logistiek (± 600 personen) geviseerd worden.

c. Laatste stap van onderaanneming
Hierbij gaat het geheel van de productie-eenheid ‘buitenhuis’, naar Singapore of elders. Het moederbedrijf houdt in ons land alleen het commercialiseren van de producten en soms het onderzoek en de ontwikkeling. We denken hierbij bijvoorbeeld aan: Philips, Renault-Vilvoorde, Arcelor, SABCA Brussel. De straffeloosheid van de multinationals is nog onaanvaardbaarder in deze laatste fase van onderaanneming dan in de twee andere gevallen. Vaak zijn deze twee slechts tussenstappen.

Christian Bouchat (Gewestelijk Secretaris van de Centrale Voeding - Horeca - Diensten,afdeling Brussel)

Men richt zich meestal op de situatie van de grote multinationals, omdat het een relatief gemakkelijke discussie is: men legt het verband met iets enorms met ver verwijderde directies, met een zekere vorm van samenzwering die doet denken dat men geen greep heeft op de onduidelijke doelstellingen van de beslissingen. In werkelijkheid geldt dit niet voor alle multinationals: sommige kunnen delocaliseren, anderen niet. Ik neem het voorbeeld van de groep ACCOR (een hotelketen): ze kunnen het hotel Sofitel dat zich in het centrum van Brussel bevindt niet verhuizen…
Dit hotel zal dus altijd in Brussel blijven.

Er bestaat eeen verband met onderaanneming: deze geeft de voordelen van een delocalisatie… maar zonder zich te verplaatsen! Is het beter werknemer te zijn van een multinational (met het risico van een mogelijke delocalisatie) of werknemer van een onderaannemer (zonder het risico van delocalisatie)? Op het eerste zicht kan de tweede oplossing gunstiger lijken.Maar wat constateren we? Dat de werknemer van een grote multinational die slachtoffer is van een herstructurering of delocalisatie zal kunnen genieten van bijkomende voordelen naast die voorzien door de wet: een sociaal plan, onderhandelingen, informatie. De multinational behoudt zijn uitzonderlijke macht, maar de situatie van de werknemer is meer benijdenswaardig dan die van de slachtoffers van een faillissement. Een veelvoorkomend voorbeeld: de werknemer van een schoonmaakbedrijf in onderaanneming (zonder sociale zetel noch patrimonium) zal zich bij een faillissement in een zeer netelige positie bevinden. Ondanks dit alles ergert men zich meer aan de situatie van werknemers van delocaliserende multinationals, dan aan die van andere werknemers.

Jean-Claude Crop (Algemeen Secretaris van de Algemene Centrale der Openbare Diensten regio Brussel):

Onderaanneming in openbare diensten bestaat. Deze bevestiging kan u verbazen maar zij is reeël. Als de verschillende ministers zich het hoofd breken om het kader van de administraties niet aan te vullen, als ze statutair personeel vervangen door contractuelen of door gesubsidieerde contractuelen (GECO), doen ze aan onderaanneming. De doelstelling is besparingen, maar ook het veranderen van paritaire commissie voor een categorie van het personeel dat in dezelfde onderneming werkt.Voor de openbare diensten is de paritaire commissie het statuut van de ambtenaren.
Het contractueel personeel staat zwakker, is gemakkelijker te beïnvloeden en afhankelijker van de overheid. Als men weet dat zij tegenwoordig ±40% uitmaakt van het totale personeel, is het wezen zelf van de openbare dienst die op losse schroeven staat.

2. Wat stellen de vakbondsorganisaties voor om te strijden tegen deze vorm van straffeloosheid van de bedrijven?

Paul Binje: We hebben maar heel weinig greep op deze beslissingen.Men denkt de wereldstrategieën uit in beslissingcentra zonder ook maar enigszins rekening te houden met de sociale consequenties voor de werknemers die de producten gemaakt hebben die men nu ergens anders wil gaan produceren.
De antwoorden van de vakbonden moet men uitwerken op hetzelfde niveau als de multinationals: op wereldniveau. Vandaar de grote betekenis van de vakbondsorganisaties op Europees en op wereldniveau, ondernemingsraden op Europees en binnenkort in navolging van de groep V.W., op wereldniveau.
Het A.B.V.V. van Brussel (hoofdstad van Europa) is het aan zichzelf verplicht te investeren in deze contacten tussen vakbondsorganisaties op wereldniveau.
Men moet ook investeren in het zoeken naar een minimale sociale basis die gemeenschappelijk is voor de ondernemingen op Europees en, daarna, op wereldniveau, zodat de multinationals de werknemers van de ‘arme’ landen niet meer uit kunnen spelen tegenover de werknemers van de ‘rijke’ landen.
Het afschaffen van kinderarbeid,het reglementeren van de veiligheid, het eisen van degelijke werkvoorwaarden en een fatsoenlijke bezoldiging voor alle werknemers van de wereld, dit alles is reeds de straffeloosheid van de multinationals tegenwerken. Strijden opdat de werknemers van de onderaanneming, hetzij binnen de onderneming hetzij erbuiten, vergelijkbare arbeidsvoorwaarden en een vergelijkbare bezoldiging zouden hebben als de werknemers van het ‘moederbedrijf ’ is natuurlijk in de goede richting gaan, die van een gemeenschappelijke basis voor alle werknemers, hier en elders.
Bij ons andere situaties aanvaarden, is zwijgen over wat elders gebeurt!

Jean-Claude Crop: We gaan in dezelfde richting als Paul Binje, maar als de staat zelf een onderneming wordt die geniet van straffeloosheid wordt het een moeilijker antwoord. Laten we er ons eenvoudigweg van bewust zijn dat, als we blijven vastzitten in een maatschappij van het Angelsaksische type, de staat meer en meer zonder geld komt, waardoor het hele sociale model dat we momenteel kennen bij elke nieuwe vooruitgang van het Angelsaksische model geamputeerd wordt. De politieke verkozenen zullen uiteindelijk alleen nog ellende moeten beheren. Dit verdient een debat!

Christian Bouchat: Persoonlijk pleit ik voor een grondig debat over de rol van de staat.Men denkt dat de politiek van belastingvermindering goed is.Maar men moet ook weten dat reguleren geld kost. De voortdurende inflatie van belastingen maakt het respecteren van de sociale minima, de collectieve overeenkomsten,… onmogelijk. Als de sociale inspectie de middelen zou hebben om tussen te komen en dit ook doen, zullen de prijzen verhogen, de BTW op deze prijzen zal geïnd worden, de bijdragen voor sociale zekerheid zullen geïnd worden… Wat vandaag niet het geval is. Op termijn is alle voordeel voor het budget van de staat. Concreet is mijn centrale een inventaris aan het maken van alle hotels met alle schoonmaakbedrijven die er werken.De hotelsector wordt momenteel in kaart gebracht met algemene inlichtingen over het beheer van hun ‘human resources’. Het doel is de lancering van een website met informatie over het hotelbeleid: een ‘samenlevingsvriendelijk’ hotel dat de wetten respecteert, of een hotel waar de rendabiliteit het haalt boven om het even welke ethische of wettelijke overweging.