>> Straffeloosheid van de multinationals
<<vorige pagina   Volgende pagina>>
 
EEN CATASTROFALE SITUATIE

Op 11 februari 2002 bracht Julio Galeano in de stad Cali ‘s ochtends vroeg zijn vrouw naar het werk op zijn motorfiets. Hij werd door onbekenden op een andere motorfiets onderschept en ter plaatse neergeschoten, onder de ogen van zijn vrouw die erin slaagde te ontvluchten. Julio Galeano was een vroeger lid van SINTRAEMCALI (de vakbond van de gemeentewerklieden van Cali) en hij had, samen met zijn vrouw, actief deelgenomen aan de 36 dagen durende bezetting van het Gemeentelijk Administratief Centrum die de vakbond georganiseerd had tussen 25 december 2001 en 31 januari 2002. Gedurende de bezetting van de gemeentelijke gebouwen, hadden zowel het Colombiaanse leger als de paramilitaire groep AUC (Autodefensas Unidas de Colombia) de vakbondsmilitanten van SINTRAEMCALI ervan beschuldigd dat ze sympathiseerden met de guerrilla. Vanaf dat ogenblik werden ze ‘militaire doelwitten’. Op 18 februari lanceerde Amnesty International (AI) een dringende actie ten gunste van de echtgenote van Julio Galeano, Viviana Maria Villamil, en hun drie kinderen…

Het geval van Julio Galeano is jammer genoeg geen uitzondering in Colombia. Van 1990 tot juli 2002, werden daar meer dan duizend vakbondsmilitanten vermoord. Dit is het trieste record, erkend in een officieel rapport gepubliceerd door het bureau ‘Defensor del Pueblo’ (mensenrechtenbemiddelaar), de officiële instantie van de Colombiaanse regering.

In het wespennest van Colombia zijn de burgers de belangrijkste slachtoffers van het militaire conflict waarin guerrilla tegenover leger en paramilitaire groepen staan: ongeveer 4.000 politieke moordaanslagen per jaar. De vakbondsmilitanten, die op een vreedzame manier strijden voor de verdediging van de arbeidersrechten, zijn de bevoorrechte slachtoffers van een hels raderwerk dat dicteert “als je niet met mij bent, ben je met mijn vijanden”. Omdat men ze beschuldigt van ‘sympathie voor de guerrilla’, worden ze meestal uit de weg geruimd door leden van paramilitaire groepen die de steun hebben van het leger. Alle vakbonden en alle streken worden getroffen. De inventarisering van de ‘dringende acties’ die AI lanceerde ten gunste van bedreigde vakbondsmilitanten tussen december 2001 en december 2002, vermeldt onder andere: de vakbonden van de bouw,petroleum, voeding, elektriciteit, openbare diensten,onderwijs, gezondheid, chemische nijverheid… Hoewel geen enkele sector gespaard bleef, vermelden we toch twee takken die bijzonder getroffen werden: tussen 1986 en 2002 werden 507 leden van de FECODE (Federación Colombiana de Educadores – - Colombiaanse Onderwijsvakbond) vermoord, 1.945 leden werden bedreigd en ongeveer 700 leden werden het slachtoffer van gedwongen overplaatsingen.Wat de USO betreft (Union Sindical Obrera – arbeidersbond van de petroleumsector): tussen 1988 en 2002 betreurt ze 80 moorden, 32 gewonden in aanslagen, 2 vermisten en meer dan 400 personen die verplicht werden hun stad te verlaten door bedreigingen aan hun adres.

Het jaar 2001 was bijzonder tragisch voor de Colombiaanse vakbondsmilitanten: volgens de cijfers van het jaarlijks rapport van de IVVV ( Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen) verloren 185 personen het leven wegens hun vakbondsactiviteiten. Ten opzichte van het voorgaande jaar is dit een verhoging van de moordaanslagen met 27%.

Zijn deze overtredingen het onderwerp geweest van juridische vervolgingen? Volgens de officiële informatie van ‘Fiscalía General de la Nación’ (Procureur Generaal, belast met het leiden van het vooronderzoek van rechtszaken en het instellen van een vervolging) stonden in juni 2002 783 enquêtes open, 561 daarvan bevonden zich nog ‘in de fase van voorafgaand onderzoek’. 41 andere bevonden zich in de fase van vooronderzoek en 13 waren in proces.Wat de vonnissen betreft, hadden de rechtbanken op dat ogenblik 6 veroordelingen en 5 ontslagen van rechtsvervolging uitgesproken. Meer dan duizend moorden en 6 veroordelingen… Volgens AI is de klaarblijkelijke straffeloosheid die heerst in Colombia één van de belangrijkste factoren die bijdragen tot het voortduren van de mensenrechtenschendingen. In het laatste jaarverslag rapporteert AI in verband met de situatie van straffeloosheid: “De afdeling van Fiscalía die belast is met de mensenrechten heeft belangrijke vorderingen gerealiseerd in verschillende zaken die een ruime media-aandacht kregen, maar deze vooruitgang behield een uitzonderlijk karakter. Talrijke bevelen tot in hechtenis neming werden niet uitgevoerd en men heeft geen enkele doeltreffende maatregel genomen om de paramilitaire leiders op nationaal niveau aan te houden. In gevallen waar vooruitgang was, werden deze vorderingen op losse schroeven gezet door bedreiging, moord en betwistbare gerechtelijke uitspraken.”

PRESIDENT URIBE EN HET CONCEPT VAN ‘DEMOCRATISCHE VEILIGHEID’

De dissident van de liberale partij Alvaro Uribe profiteert van het mislukken van het vredesoverleg tussen de regering Pastrana en de FARC-guerrilla (de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia – de belangrijkste guerrillagroep van het land) en van de ontmoediging van de bevolking door het geweld dat niemand spaart. Hij wint de verkiezingen van mei 2002 want hij belooft ‘democratische veiligheid voor allen. Toen Amnesty International hem destijds ondervroeg, omdat ze bezorgd waren over een programma dat ‘veiligheid’brengt in het land - de eerste voorwaarde voor vrede, democratie en gerechtigheid, beweerde de heer Uribe geruststellend: “De veiligheid moet gewaarborgd zijn voor iedereen.Ze beoogt het beschermen van de verdediger van de mensenrechten, de vakbondsmilitant, de onderwijzer, de journalist, de zakenman die niet wil dat men hem ontvoert, en de boer die niet van woonplaats wil veranderen…”

Acht maanden nadat president Uribe en zijn regering hun functies opnamen, is de balans eerder negatief. Het geweld blijft alomtegenwoordig: guerrilla, paramilitairen en Colombiaans leger blijven onderling oorlog voeren onder de ogen van een onthutste en uitgeputte burgerbevolking. Alle maatregelen die de regering Uribe genomen heeft sinds augustus laatstleden gaan dezelfde richting uit: beperking van rechten en vrijheden, controle van de burgerbevolking, militarisering van de maatschappij. Op die manier heeft de staat van ‘binnenlandse opschudding’ het mogelijk gemaakt uitgebreide zones te scheppen van ‘rehabilitatie en versterking’ waar het leger, dat beschikt over juridische macht, heer en meester is en waar controles, pesterijen en ongerechtvaardigde aanhoudingen van ‘verdachte personen’meestal gebeuren zonder de hinderlijke aanwezigheid van nationale of internationale organisaties die de mensenrechten verdedigen…

Het lot van de vakbondsmilitanten is gedurende deze periode niet verbeterd: in de laatste maanden van het jaar is AI verschillende dringende acties gestart ten gunste van de vakbondsmilitanten die bedreigd of aangevallen werden door paramilitaire groepen…
Eind februari veroordeelt het departement voor de mensenrechten van de USO, de vakbond voor de petroleumsector, in een persmededeling ‘de willekeurige tussenkomst op 21 februari van het leger in de raffinaderij-installaties van ECOPETROL (staatsbedrijf van de petroleumsector)’ en dit ‘op uitdrukkelijke verzoek van de ondernemingsdirectie’. Balans: tien gewonden en negen personen aangehouden.

IEDEREEN IS VERANTWOORDELIJK. DE MULTINATIONALS ONDER TOEZICHT.

Zoals elders houdt men in Colombia de staat, die het monopolie heeft van de rechtelijke macht, meestal verantwoordelijk voor de schending van de mensenrechten waarvan de bevolking het slachtoffer is. Nochtans is de staat niet ‘de enige verantwoordelijke’. Als de guerrillatroepen bijvoorbeeld vechten in naam van een aantal principes, maar door hun activiteit niet alleen die principes maar het meest elementaire mensenrecht schenden en daardoor de crisis van de mensenrechten verergeren, moet men ook hen verantwoordelijk houden. Einde 2002 schreef AI een ‘open brief aan het FARC’ (de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia, de belangrijkste guerillagroep van het land) om hun te bevelen de internationale mensenrechten te respecteren.

Tenslotte is het onontbeerlijk om ook te spreken over de verantwoordelijkheid van de ondernemingen, en vooral dan van de grote multinationals. In een toespraak van 21 november 2002 verklaarde Sir Geoffrey Chandler, stichter van de ‘groep ondernemingen’ van AI-Verenigd Koninkrijk en voormalig een hoge verantwoordelijke van Shell: “Het meest typerende fenomeen voor de wereld na de koude oorlog is de ontwikkeling van de aanwezigheid en de invloed van de multinationals. Maar voordelen produceren ‘zijdelingse schade’ en vaak dragen de ondernemingen bij tot het verergeren van conflicten en schendingen van de mensenrechten. Vandaag moeten ze hun verantwoordelijkheid opnemen…”

Sedert verschillende jaren staat inderdaad de verantwoordelijkheid van de ondernemingen (en vooral van de multinationals) ter discussie, is het niet bij de directe schending van de mensenrechten, dan toch ten minste bij de nauwe banden die ze zouden onderhouden met officiële instanties (leger) of niet-officiële instanties (paramilitaire groepen) die belast zijn met het ‘handhaven van de orde’. Op deze manier bijvoorbeeld,werden Shell en Chevron direct aangevallen naar aanleiding van de repressie van de arbeiders in hun onderneming in Nigeria in juli en augustus 2002.In Colombia zelfwerd Coca-Cola voor de justitie beschuldigd door de arbeiders van de onderneming, en sedert 1997 waarschuwt Amnesty International British Petroleum (BP) voor het gevaar “de crisis van de mensenrechten te verergeren door te beginnen met programma’s voor militaire vorming van hun veiligheidspersoneel…”

In januari 1999 nam het Europees Parlement een resolutie aan die het voorbereiden van een ‘vrijwillige gedragscode’ voorstelde. Om de verantwoordelijkheid van de ondernemingen in de schijnwerpers te plaatsen, heeft de secretaris generaal van de Verenigde Naties daarna in 2000 ‘Global Compact’ gelanceerd, een initiatief dat erop gericht was de multinationals ervan te overtuigen zich te verbinden tot het respecteren van een aantal universele principes in verband met het beschermen van de arbeidsrechten, het milieu en de mensenrechten. Als deze ondernemingen instemden met ‘Global Compact’, zouden ze zich ertoe verbinden de mensenrechten te steunen en te respecteren in hun invloedssfeer, en niet betrokken te raken bij misbruiken of schendingen van deze rechten. Tot op heden zouden 600 ondernemingen zich verbonden hebben tot dit initiatief dat ook de steun heeft van Amnesty International. Het vrijwillige karakter brengt echter de beperkingen ervan naar voren, en AI vindt vandaag dat men veel verder moet gaan. Op het ‘Economisch Forum in Davos’, in januari laatstleden, verklaarde Irène Khan, algemeen secretaris van Amnesty International: “Natuurlijk zouden de ondernemingen willen dat men erop vertrouwt dat hun vrijwillig engagement volstaat. Maar er was geweld nodig en een sterke mobilisatie rond de oliepijpleidingen en de petroleuminstallaties in Nigeria, Colombia of Indonesië opdat de petroleumnijverheid van de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en nu van Noorwegen en Nederland de vrijwillige principes in verband met toevlucht tot veiligheidstroepen in de petroleumsector zouden aannemen… Amnesty vindt dus dat de vrijwillige codes belangrijk zijn, maar… ze zijn niet voldoende. Aan zelfregulering moet men juridische verantwoordelijkheid toevoegen…”

In 2002, heeft een subcommissie van de VN een project uitgewerkt voor ‘normen voor de verantwoordelijkheid van multinationals en andere in verband met de mensenrechten.’ Het al dan niet dwingende karakter ervan was de inzet van het debat. De weg die moet leiden tot een doeltreffende en dwingende verantwoordelijkheidszin van de multinationals tegenover de schending van de mensenrechten is zeker nog lang. Maar omdat men het principe reeds erkent, is het debat vandaag onomkeerbaar.

Claudio Guthmann,
Amnesty International Franstalig België, Coördinatie voor Colombia.