| << vorige pagina | Volgende pagina>> | ||
| In de zomer van 2002 werden in de
Senaat twee wetsvoorstellen ingediend die bedoeld waren om eventuele problemen
met betrekking tot de interpretatie van de wet van 1993, de zogenaamde wet
op de ‘universele bevoegdheid’1, weg te werken. Deze voorstellen
suggereerden de wet aan te passen aan de recente evoluties in het internationaal
recht, zoals de oprichting van het Internationaal Strafhof en de rechtspraak
van het Internationaal Gerechtshof betreffende internationale immuniteit.
Ter herinnering: deze wet maakt het mogelijk om het even welke gewelddaad
tegen de mensheid, waar ook ter wereld, aan te klagen voor een Belgische
rechtbank. De wetgever wilde het principe van de universele bevoegdheid
opnieuw bevestigen, met andere woorden: bij misdrijven tegen de mensheid
kunnen ook Belgische rechtbanken hun bevoegdheid uitoefenen, ongeacht de
geografische locatie van de feiten, de daders en de slachtoffers. Daarop
uitte het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) onmiddellijk zijn bezorgdheid
over de eventuele gevolgen voor VBO-leden van een ruime interpretatie van
de termen ‘medeplichtige’ of ‘mededader’bij zware
misdrijven tegen het humanitair recht. Guy Keutgen van de juridische dienst
van het VBO verklaarde: “De twee wetsvoorstellen die nu werden ingediend,
dat is de echte lont in het kruitvat […]. Het belangrijkste voorstel,
dat de wet van 1993 wil ‘verduidelijken’, vermeldt dat men om
het even wie, ongeacht de nationaliteit van die persoon, om het even waar
kan vervolgen voor om het even welk misdrijf tegen de mensheid. […].
Wij vrezen nu dat men zich zal keren tegen bedrijfsleiders en hen zal beschuldigen
van medeplichtigheid aan dergelijke misdrijven, aangezien men nooit de politici
zal kunnen aanwijzen als eventuele daders van de misdaden tegen de mensheid”2. Wanneer het gaat om zware misdrijven, zoals volkerenmoord, oorlogsmisdaden of misdaden tegen de mensheid, impliceert de herbevestiging van een ‘absolute’ universele bevoegdheid immers dat men alle verdachten op dezelfde manier moet behandelen, ongeacht of ze nu actief of passief hebben deelgenomen. Bedrijven zullen dus goed moeten nadenken over de locaties waar ze een vestiging willen oprichten en over de manier waarop ze willen investeren, want de bedrijfsleiders zullen niet langer kunnen genieten van een bijzondere bescherming waarbij ze vrijgesteld worden van vervolging in geval van deelname aan begane misdrijven. DE LOGICA VAN DE STRAFFELOOSHEID VAN BEDRIJFSLEIDERS Het VBO heeft dan ook duidelijk tot doel zijn bedrijfsleiders te beschermen
tegen dergelijke vervolgingsrisico’s die hun imago zouden kunnen
besmeuren: “Wij verdedigen het algemeen economisch belang en niet
het privébelang. [NVDR: zinspelingen op de TotalFina-zaak in Birma
waarbij Albert Frère betrokken zou kunnen zijn…]. Wij willen
alleen dat men, vóór men zo ver gaat, eens goed nadenkt
over de mogelijke economische gevolgen van een dergelijke evolutie. [Daarom
en concreet] hebben wij enkele ideeën gelanceerd. Een kwestie van
imago en geloofwaardigheid,” verklaart Guy Keutgen in La Libre Belgique.
Maar tot wie richt zich deze vraag om tijdens het parlementair werk na
te denken over en rekening te houden met de bezorgdheid en de belangen
van de bedrijven? Is het niet precies de taak van de wetgever om vóór
alles het algemeen belang te garanderen bij elke twijfel in verband met
het verbieden of bevorderen van privé-belangen? STRAFFELOOSHEID VOOR DE BEDRIJVEN ONDER HET MOM VAN JURIDISCHE ZEKERHEID De argumentatie van zowel Monfils als van het VBO is dus op dezelfde manier opgebouwd en steunt op dezelfde liberale ideologische hypothesen. Om de juridisch vage interpretaties van de wet van 1993 in verband met de universele bevoegdheid gedeeltelijk op te lossen, pleiten zowel het VBO als senator Monfils dan ook voor de juridische zekerheid, maar binnen een erg individuele en bedrijfsgebonden logica: het toekennen van een bijzonder en gedifferentieerd juridisch statuut binnen de wet om de specifieke winstgevende activiteiten van de bedrijven te beschermen en te bevorderen. Ondernemen, handel drijven, vrij investeren, zonder enige sociale, politieke of juridische verplichting om hun favoriete troef te behouden: de mobiliteit (van kapitaal, goederen, diensten) als basis voor hun concurrentievermogen, dus voor winst…. Het gaat er vooral om te kunnen genieten van een specifieke straffeloosheid krachtens de superioriteit van het economisch belang, de winstlogica en het recht op privé-bezit boven het algemeen belang. Deze vraag tot vrijstelling, die gerechtvaardigd zou zijn door hun beslissende rol binnen de sociale productierelaties, stelt vooral de houders van kapitaal in staat te vermijden dat ze hun verantwoordelijkheid moeten opnemen, zelfs slechts gedeeltelijk, vooral gezien de ernst van de bedoelde misdrijven. Het basisprincipe dat alle burgers gelijk zijn voor de wet moet blijven bestaan, want het maakt grondwettelijk deel uit van de democratie dankzij de gevoerde sociale en politieke strijd. De pogingen van het patronaat het principe van de universele bevoegdheid in vraag te stellen, bewijzen nog maar eens dat de democratische verworvenheden voortdurend de inzet zijn van een ideologische strijd, en dat het raadzaam is de krachtsverhouding te behouden ten gunste van een collectief maatschappelijk project dat drager is van universele waarden zoals inkomensgelijkheid, vrijheid door individuele en collectieve autonomie en rechtvaardigheid voor iedereen.
1 In het Nederlands taalgebied spreekt men ook over de ‘genocidewet’ |
|||