| EEN ETHISCH KAPITALISME? Op het
vlak van sociale relaties en verbruik zien we sedert zo’n tiental
jaren een wildgroei van codes en labels die te maken hebben met ‘ethiek’,
‘maatschappij’, ‘milieu’, ‘goed gedrag’…
Bovendien verspreiden zowel de Belgische overheid als de Europese Unie
ruimschoots het beeld dat bedrijven tegenwoordig bezorgd zijn om de ‘sociale
en milieugebonden thema’s’ en deze bezorgdheid dan ook integreren
in het dagelijkse bedrijfsleven1. Op die manier laten de voorstanders
van deze codes en van het daarmee verbonden begrip ‘sociale verantwoordelijkheid
van een bedrijf ‘ ons geloven dat de ‘markt revolutionair
kan zijn’, dat de verspreiding van ‘gezonde’ producten,
vervaardigd door ‘verantwoordelijke bedrijven’ op basis van
‘gezonde sociale relaties’, er uiteindelijk in zal slagen
zich geleidelijk als een olievlek uit te breiden en de volledige productieketen
zowel ethisch als sociaal om te vormen.
Dit alles lijkt sympathiek, zelfs de gunstige voorbode van een nieuwe
tijd waarin elk individu, van bedrijfsleider tot verbruiker, precies door
de productie of het verbruik zijn steentje bij kan dragen tot de opbouw
van een wereld die uiteindelijk zowel sociaal als ecologisch correct is.
Wij denken nochtans dat, achter deze mooie Epinalvoorstelling, deze nieuwe
zogenaamd verantwoordelijke praktijken rechtstreeks kaderen in het uitwerken
van een steeds meer liberale visie op de maatschappij en haar werking.
Een visie die de democratie en de garantie op universele collectieve rechten
sterk in gevaar brengt.
DE VERZWAKKING VAN DE JURIDISCH BINDENDE UNIVERSELE NORMEN
Sociale wetten en regels ontwikkelen zich niet zonder reden. Diverse
sociale groeperingen zetten zich in om deze wetten en regels te laten
aanvaarden: de wetten die onze arbeid reglementeren zijn er gekomen dankzij
de vele acties van de arbeidersbewegingen.Waar komen dan deze codes en
labels vandaan? Wat willen ze vervangen? Het nagestreefde doel is: vermijden
dat bedrijven in hun activiteiten gehinderd worden door bindende wetten
en regels. Zo zouden de nu ‘volwassen en verantwoordelijke’
bedrijven de maatschappij kunnen beschermen.Met andere woorden: deze codes
destabiliseren het eigenlijke hart van de democratie, namelijk de juridisch
bindende normen die gestemd werden door de parlementen of vastgelegd door
collectieve onderhandelingen op nationaal vlak. Ze verzwakken de verantwoordelijkheid
van de autoriteiten bij het uitvoeren van hun openbare macht die iedereen
de naleving van de normen oplegt en diegenen die ze niet naleven gerechtelijk
bestraft.
De landen van West-Europa zijn nooit rijker geweest (de landen van de
Europese Unie produceren nu samen tweemaal meer rijkdommen dan in 1970).
Toch is de neoliberale ideologie (die nu reeds 25 jaar lang wordt verspreid
door het patronaat van de grote bedrijven, de heersende klassen en diverse
mediavormen) erin geslaagd ons te doen geloven dat de economie zich in
een crisis bevindt, waarbij bedrijfsleiders het uitermate moeilijk hebben
de leefbaarheid van hun onderneming te verzekeren en waarin zowel de arbeids-
als de politieke wereld ‘soepeler’ en minder veeleisend moeten
worden tegenover de zakenwereld.
In eerste instantie betroffen de eisen van de werkgevers de werking van
de economie en de arbeidsomstandigheden. Volgens het patronaat was het
niet langer mogelijk de lonen te verhogen, de werktijd te verkorten, arbeidscontracten
voor onbepaalde duur te garanderen, nacht- en weekendwerk te weigeren,
de financiering van de sociale bijdragen te blijven verzekeren, de openbare
sector niet te liberaliseren, winsten te belasten…
Daarna heeft de versteviging van hun positie, gecombineerd met een gebrek
aan reglementering van de arbeidsomstandigheden en van de economie in
het algemeen het de werkgevers mogelijk gemaakt zich nog veeleisender
op te stellen en de werking van de democratische Staat rechtstreeks aan
te vallen. Via hun talrijke politieke bemiddelaars binnen de partijen,
de regeringen en de instellingen van de Europese Unie proberen ze de twee
belangrijkste mechanismen waarmee men op democratische manier uiting kan
geven aan conflicten en waarmee men universele normen kan creëren,
zoveel mogelijk te verzwakken: de gehele wetgevende macht van de parlementen
en de interprofessionele collectieve onderhandelingen. Door het beeld
van de georganiseerde maatschappij te verstoren met een onophoudelijk
veranderende, vluchtige, onbepaalde en steeds meer afgeschermde en in
sectoren verdeelde markt, wil het patronaat ons doen geloven dat het niet
langer mogelijk is juridisch bindende normen op te stellen die voor iedereen
even bindend zijn. Gedaan met de grote wetten en de grote collectieve
akkoorden die belangrijke collectieve sociale rechten opleggen! In deze
‘moeilijke’ tijden zouden één enkele minimumbasis
met minimumregels2 of enkele heel algemene kaderregels3, op zijn best,
niet meer mogelijk zijn. Maar zelfs dit minimum, zoals bijvoorbeeld de
acht basisconventies van de IAO (die alleen enkele rechten beschermen,
zoals het recht op vakbondsvrijheid en op collectief overleg, de afschaffing
van de kinderarbeid en slavernij en van om het even welke discriminatie
op het vlak van tewerkstelling en beroepsuitoefening) heeft geregeld last
van enige ‘vergetelheid’: de vrijhandelsovereenkomsten4 die
werden afgesloten tussen België en diverse andere landen maken hier
zelfs geen melding van…
Het in de praktijk brengen van sociale (of ecologische) codes gebeurt
ten nadele van de uitbreiding en de versterking van de juridisch bindende
universele normen en maakt ons gewoon aan het idee dat collectieve rechten
veranderlijk, aanpasbaar en afstelbaar kunnen zijn naar gelang van de
‘categorieën’ van personen (werklozen, uitzendkrachten,…)
of naar gelang van de ‘marktomstandigheden’ die alleen experts
uit de kringen van de werkgevers zouden bepalen. Deze pseudo-wetgeving
(de ‘soft law’), zo genoemd gezien het ‘zachte en vage’
karakter ervan (‘mous et flous’ –een uitdrukking die
werd gebruikt door de Franse jurist Robert Charvin), draagt bij tot de
teloorgang van de gelijkheid van burgers en van de eenheid van het loonstelsel.
DE SOCIALE VERANTWOORDELIJKHEID VAN BEDRIJVEN… OF HOE MEN DE POLITIEKE
MACHT PRIVATISEERT
De huidige delegitimering van de belangrijke plaatsen en mechanismen
voor het afsluiten van algemene en bindende normen zorgt voor een versterking
van de uitvoerende machten, ten koste van de Parlementen (de regering
en haar administraties nemen de plaats in die vrijkwam door de inkrimping
van het parlementair werk. Ze doen dit door methoden te ontwikkelen die
dit soort ‘zachte normen’ creëren, zoals de open coördinatiemethoden
tussen de Lidstaten en de Europese Unie die steeds meer in het sociaal
beleid gebruikt worden).Maar ze is ook en vooral een omvorming van het
eigenlijke concept van politieke macht.
Een democratie heeft tot doel het welzijn te garanderen van de bevolking
die onder haar indirecte controle staat. Dit wordt gesymboliseerd door
de controle van de door het algemeen kiesrecht verkozen Parlementen. Deze
politieke constructie is opgebouwd rond het idee van het Volk als basis
voor de bepaling en de uitoefening van de machten. Tegenwoordig streeft
het politieke systeem er echter naar om de verbetering van het concurrentievermogen
van de bedrijven te laten primeren op elk ander doel: in deze context
wordt het bedrijf een basiselement van het systeem. En wie anders dan
de leiders uit de zakenwereld weten dan beter wat moet gebeuren voor het
welzijn van het bedrijf, dat toch voorgesteld wordt als de basis voor
het algemeen welzijn? Bij deze politieke macht-in-overgang nemen steeds
meer verschillende actoren deel aan de organisatie en het beheer van de
macht via de metafoor van een uitgebreid netwerk van deelnemers en partners:
met name het corporate governance model. De huidige politieke constructie
van een zogenaamde ‘nieuwe democratische legitimiteit’ vindt
haar oorsprong in de deelname van de ‘burgermaatschappij’.
Zij dient hoofdzakelijk ter rechtvaardiging van de steeds grotere rol
van de industrie bij het oriënteren van politieke beslissingen, ongeacht
of dit nu gebeurt op Europees of op wereldvlak. Bovendien dient ze ook
voor het overdragen van het oude ‘overheidswerk’ (dat beheerd
en gestuurd werd door de verantwoordelijke overheid en gecontroleerd door
het algemeen kiesrecht) aan privé-groepen. Deze laatsten nemen
het initiatief over om regels, hún regels, rechtstreeks vast te
leggen via wetteksten wanneer die onvermijdelijk zijn, maar ook steeds
meer via privé-wetten en privé-akkoorden (de ‘soft
law’) die de plaats innemen van deze wetten. Het is precies de essentie
van de politieke macht die men privatiseert: er blijft haar dan ook niets
anders over dan de orde te handhaven, de orde van de multinationals.
De bedrijven beschouwen zichzelf als volwaardige politiek betrokken actoren
en de Europese Unie begint te spreken over co-regulering van mogelijk
volledige stukken van het openbaar beheer en de openbare reglementering
over te dragen aan ‘betrokken’ privé-partners. Het
is wel degelijk omdat de politieke overheid zich ontdoet van een deel
van haar politieke verantwoordelijkheden dat het begrip ‘verantwoordelijkheid
van een bedrijf ’ steeds meer weerklank vindt. Als men bedrijven
verplicht sociale en milieuregels te respecteren, waarom zouden ze dan
ook niet bevoegd zijn zelf te beslissen over de inhoud van die regels
en de maatregelen die ze moeten treffen om die regels te laten ‘respecteren’?
Nu de grote bedrijven de touwtjes opnieuw in handen hebben, kunnen ze
het zich veroorloven een deel van hun winstmarges te gebruiken om te pronken
met nieuwe liefdadige vormen van paternalisme, ter vervanging van een
sociale bescherming. In Afrika, waar Aids een belangrijk probleem is,
financiert de Franse multinational Lafarge bijvoorbeeld de medische behandelingen
voor het personeel dat ze tewerkstelt, zodat de personeelsleden er voldoende
productief zijn! Dit is een voorbeeld van ‘sociale verantwoordelijkheid’!
Het cynisme van een situatie waarin Afrika de openbare gezondheidssystemen
volledig ten onder moest laten gaan om te kunnen voldoen aan de economische
verplichtingen die de internationale privé-financiers oplegden.
DE ILLUSIE VAN DE VERBRUIKERSDEMOCRATIE
De visie van de maatschappij die voortvloeit uit deze nieuwe ‘soft
law’-praktijken is compleet doordrenkt van de liberale filosofie:
men zou de essentiële werking van een maatschappij moeten overlaten
aan privé-actoren wiens belangrijkste doelstelling is de markten
te laten functioneren.
Laten we het geval nemen van de sociale of ecologische labels. In het
beste geval komt de politieke macht tussen om een wet te laten goedkeuren
die bepaalt hoe men deze labels toekent en certificeert; daarna vervaagt
ze en uiteindelijk verdwijnt ze zelfs.
Men geeft de controle en certificering van het label in onderaanneming
aan privé-firma’s, de zogenaamde ‘onafhankelijke’
firma’s. Alsof men thema’s zoals arbeidsomstandigheden, collectieve
sociale rechten, mensenrechten, het voortbestaan van onze planeet of de
voedselveiligheid gelijk kan stellen aan ‘conform gecertificeerde’
marktproducten!
Bovendien verlegt deze visie de sanctie bij niet-naleving van de regels
van de overheid naar de markt, aangezien men veronderstelt dat de promotie
van dit soort labels gebeurt door de keuze van de verbruiker die liever
‘sociaal correcte’ dan ‘sociaal niet-correcte’
producten koopt. Dit zogenaamde ‘ethische’ verbruik volgt
een nogal bijzondere ‘ethiek’: armen moeten maar producten
kopen die ‘sociaal’ of ‘ecologisch’ niet-correct
zijn, want ze zijn minder duur… Op die manier kunnen bedrijven die
hun winst willen verhogen verscheidenheid brengen in hun distributiekanalen,
zowel correcte als niet-correcte… terwijl men het verbod op de slavernij
of op de kinderarbeid opnieuw op losse schroeven zet telkens de verbruiker
liever dit paar schoenen koopt dan dat andere! En dan stellen we ons nog
geen vragen over de controlegarantie op de certificering van de producten
in de volledige productieketen van verbruiksgoederen die steeds meer internationaal
worden vervaardigd door kleine verspreide groepjes, noch over de controlegarantie
op de certificeringbedrijven!
STERKE RECHTEN… ZIJN RECHTEN DIE STERK VERANKERD ZITTEN IN HET
LOON- EN ARBEIDSBESTEL!
De sociale strijd die vakbonds- en arbeidersbewegingen gedurende 150
jaar voerden, was erin geslaagd het idee van de verantwoordelijke overheid,
als degene die borg staat voor het collectief belang van de bevolking,
op te leggen in de voortdurende vorming van de maatschappij als een voorwaarde
voor het ontstaan en de ontwikkeling van de democratie. Een democratie
krijgt men pas door het bestaan van een overheid die autonoom staat tegenover
alle privé-belangen, ongeacht hun aard (commercieel, militair,
religieus of maffiagebonden). Deze autonomie van de overheid (vandaag
de dag opnieuw steeds beperkter wegens de dereguleringsmaatregelen die
ze zelf goedkeurt en waardoor sterke privé-actoren de macht kunnen
overnemen) leidde tot het democratische basisidee dat de belangrijkste
elementen voor het functioneren van de maatschappij voortvloeien uit debat
en uit collectieve sociaal politieke onderhandelingen en niet behoren
tot de domeinen die voorbehouden zijn aan de helderziendheid van ‘experts’,
noch dat ze mogen afhankelijk zijn van privé-mechanismen zoals
het marktmechanisme. De sociale strijd legde nog een tweede essentieel
element op: de erkenning van de collectieve sociale rechten die verankerd
is in de arbeid. Dat de democratie zich kon ontwikkelen, is vooral te
danken aan het feit dat de vakbonds- en arbeidersbewegingen het kapitalisme
ertoe konden dwingen een realiteit bekend te maken die het wanhopig trachtte
te verbergen: de werknemers hebben rechten, en wel erg sterke rechten,
omdat ze werken (of dat zullen doen of gedaan hebben) en dus het geheel
van rijkdommen van de maatschappij produceren (zowel de productieve als
de symbolische of creatieve waarde, want wij creëren ook de zin van
de maatschappij via onze activiteit als werknemers). Dankzij het publiek
bekendmaken van deze waarheid kregen de werknemers toegang tot het burgerschap.
De inzet van de sociale werking opnieuw verleggen naar het terrein van
de individuele verbruiksdaden draagt bij tot pogingen de collectieve sociale
rechten te verzwakken door ze los te koppelen van de arbeid. Heel wat
overwinningen op een wereld die gekenmerkt wordt door de noodzakelijk
anti-egalitaire, liberale filosofie kwamen er dankzij de syndicale en
sociale strijd.
Gedurende 25 jaar heeft het neoliberalisme ons laten geloven dat deze
tijden van een meer gelijke herverdeling van de rijkdommen en van een
democratische bescherming voor iedereen via de uitbreiding van de universele
en door bindende wetten beschermde rechten voorbij waren, terwijl de huidige
capaciteit voor het scheppen van rijkdommen de realisatie van een socialistisch
project voor de ontplooiing van het bevolkingswelzijn op wereldvlak meer
dan ooit mogelijk maakt. We moeten het verleden opnieuw overwinnen: diverse
methodes werden reeds aangewend en functioneerden goed op het vlak van
de herverdeling van de rijkdommen. Bovendien zijn we ook vertrouwd met
deze methoden (systemen voor sociale zekerheid door verdeling, uitbouw
van de openbare economische sectoren en de openbare diensten,…).
Andere moeten we nog ‘uitvinden’ aan de hand van de lessen
die we kunnen trekken uit dit verleden (milieubescherming). Maar steeds
weer maakt de bindende en algemene wet deel uit van de garanties in verband
met het streven naar gelijkheid.
Corinne Gobin,
NFWO*, Vakgroep Sociologie,
Université Libre de Bruxelles
* Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek
1 Zie het document van de Europese Commissie, De sociale verantwoordelijkheid
van bedrijven, in 2002.
2 ‘Fundamenteel’om geen slecht figuur te slaan, cf. het akkoord
met de acht basisconventies van de Internationale Arbeidsorganisatie op
internationaal vlak of het Handvest van de grondrechten van de Europese
Unie.
3 Cf. de werking van de sociale wetgeving op niveau van de Europese Unie.
4 Cf. de akkoorden van de WHO (Wereldhandelsorganisatie), de GATS (General
Agreement on Trade in Services), de multiof bilaterale investeringsakkoorden,…
|